Veelgestelde vragen

Algemeen

Dat kan.

Journalisten die al 2 jaar in hoofdberoep voor gespecialiseerde media werken, kunnen terecht bij de Vereniging van de Periodieke Pers (VJPP). Via hen kan u de enige andere officieel erkende Belgische perskaart verkrijgen, namelijk die van ‘Journalist van Beroep’.

Journalisten die minder dan 2 jaar in hoofdberoep voor gespecialiseerde media werken kunnen aansluiten bij de VVJ als stagiair-beroepsjournalist.

Zie voor meer info de website van de VJPP: http://ajpp-vjpp.be/vjpp/doorgangsbewijs/
of bel naar 02/230.09.99.

Bent u journalist in hoofdberoep en werkt u voor algemene nieuwsmedia in België, zonder dit te combineren met commerciële nevenactiviteiten, dan kan u een perskaart als (stagiair-)beroepsjournalist krijgen.

→ Als dit al minstens 2 jaar het geval is, dan kan u meteen een aanvraag erkenning als beroepsjournalist indienen bij de (onafhankelijke) Erkenningscommissie (www.cebj.be). Eens erkend kan u dan de perskaart van ‘beroepsjournalist’ aanvragen via de VVJ. Dit is een officiële perskaart, aangemaakt door de FOD Binnenlandse Zaken.

→ Als dit minder dan 2 jaar het geval is, dan kan u een lidmaatschap als stagiair-beroepsjournalist aanvragen en dan krijgt u een stageperskaart.

Voor meer info over de erkenning als beroepsjournalist: https://journalist.be/persdocumenten/erkenning
Voor meer info over het lidmaatschap als stagiair-beroepsjournalist: https://journalist.be/persdocumenten/stagiair

Freelancers

Ik werk voltijds bij een communicatiebureau, maar zou graag in nevenberoep freelancen als journalist. Waar moet dat precies worden gemeld: sociale verzekeringskas, btw, inkomensbelastingen? En hoe zit het specifiek met teksten die voor het internet worden gemaakt?

Wie in nevenberoep freelancejournalist is, hoeft zich niet aan te sluiten bij een sociaalverzekeringsfonds als zelfstandige in nevenberoep en dus ook geen bijdragen te betalen.

Je moet wel bij een ondernemingsloket een ondernemingsnummer aanvragen, als ‘niet-handelsonderneming naar privaat recht’, met de Nacebel-code 90.031. En uiteraard moet je wel je inkomsten uit dat nevenberoep aangeven op je belastingaangifte. Daarvoor moet je bij de belastingdienst een bijkomend aangifteformulier (deel 2, vak XVIII baten vrije beroepen) aanvragen, waarop je dan je inkomsten als zelfstandige meldt. Je kunt daar ook je onkosten als zelfstandige melden, indien je niet voor een forfaitaire aftrek van onkosten kiest.

Journalistiek werk met een contract voor uitgave (de medecontractant verplicht er zich toe het werk te publiceren of uit te zenden)  is vrijgesteld van btw volgens artikel 44 §3, 3° van het btw-wetboek. Als je een ereloonnota opstelt, vermeld je die vrijstelling (en dat artikel) er het best bij.

Heb je geen contract voor uitgave (geen toezegging dat het werk zal worden gepubliceerd of uitgezonden) of werk je via een vennootschap, dan moet voor journalistiek werk 6% btw worden aangerekend. Is je jaaromzet aan btw-plichtige activiteiten evenwel kleiner dan 15.000 euro, dan val je onder de vrijstelling van btw als ‘kleine onderneming’ . Op je ereloonota vermeld je dan: “Kleine onderneming onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting, btw niet toepasselijk.” (art. 56 § 2 van het btw-wetboek en koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992).

Op commerciële teksten – zowel in print als voor het internet – moet wel btw worden aangerekend. Het tarief is daar 21%.

Sinds kort werk ik freelance als journalist in nevenberoep. De krant waar ik voor schrijf, heeft me gevraagd een factuur op te sturen voor mijn al geleverde prestaties. Wat moet daarop staan?

 

Als zelfstandig journalist (al dan niet in nevenberoep) ben je niet altijd verplicht facturen op te stellen. Als je niet btw-plichtig bent,, kun je met een eenvoudige ereloonnota volstaan.

Een ereloonnota is niet onderworpen aan bepaalde specifieke formaliteiten zoals een factuur. Je vermeldt uiteraard wel je naam, adres en rekeningnummer, de geleverde prestaties en het daarbij horende ereloon.

Freelancejournalistiek is vrijgesteld van btw (art. 44, §3, 3° van het btw-wetboek) als je een contract voor uitgave hebt  (de medecontractant verplicht er zich toe het werk te publiceren of uit te zenden) .Als je een ereloonnota opstelt, vermeld je die vrijstelling (en dat artikel) er het best bij.

Heb je geen contract voor uitgave (geen toezegging dat het werk zal worden gepubliceerd of uitgezonden) of werk je via een vennootschap, dan moet voor journalistiek werk 6% btw worden aangerekend. Is je jaaromzet aan btw-plichtige activiteiten evenwel kleiner dan 5.580 euro (vanaf 1 april 2014: 15.000 euro), dan val je onder de vrijstelling van btw als ‘kleine onderneming’ . Op je ereloonota vermeld je dan: Kleine onderneming onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting, btw niet toepasselijk.” (art. 56 § 2 van het btw-wetboek en koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992).

Wie wél met facturen werkt, moet een aantal formaliteiten in acht nemen.

Elke factuur moet vermelden: het woord ‘factuur’; de plaats en datum waarop ze is uitgereikt en een volgnummer zoals ze is ingeschreven in het boek van de uitgaande facturen; de naam en het adres, plus het ondernemingsnummer (of btw-nummer) van de leverancier van de prestaties; diezelfde gegevens van de persoon of organisatie aan wie de dienst is geleverd; datum van levering en omschrijving van de aard van de diensten; het toepasselijke btw-tarief (voor journalistiek werk is het tarief 0% of 6%); de totaal verschuldigde btw en het totaal te betalen bedrag.

 

Ik ben net begonnen als freelancejournalist en moet aansluiten bij een sociaalverzekeringsfonds voor zelfstandigen. Maar ik zoek een halftijdse job in loondienst. Als ik me nu meld als zelfstandige in hoofdberoep, kan ik dan straks makkelijk omschakelen naar zelfstandige in bijberoep?

 

Als zelfstandig journalist in hoofdberoep moet je inderdaad vazn bij het begin van je activiteiten aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds. Met een halftijdse job erbij (of als uitkeringsgerechtigde werkloze) ben je journalist in nevenberoep, en als zodanig vrij van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds.

Het sociaalverzekeringsfonds maakt de omschakeling van hoofd- naar nevenberoep (in het geval van journalistiek: bijdragevrij) normaliter snel en gemakkelijk. Een halftijdse job veronderstelt wel minimaal 50 procent van een voltijdse dagtaak. Wie les geeft, moet minstens 60 procent van een voltijdse lesopdracht hebben.

Ik ben afgestudeerd als radio & tv-journalist, en momenteel schrijf ik freelance voor een magazine. Moet ik een btw- en ondernemingsnummer aanvragen? En moet ik bij elke nieuwe opdracht een contract tekenen? Een productiehuis heeft me voorgesteld te werken met een raamcontract. Wat is dat?

 

Journalistiek werk met een contract voor uitgave (de medecontractant verplicht er zich toe het werk te publiceren of uit te zenden)  is vrijgesteld van btw volgens artikel 44 §3, 3° van het btw-wetboek. Als je een ereloonnota opstelt, vermeld je die vrijstelling (en dat artikel) er het best bij.

Heb je geen contract voor uitgave (geen toezegging dat het werk zal worden gepubliceerd of uitgezonden) of werk je via een vennootschap, dan moet voor journalistiek werk 6% btw worden aangerekend. Is je jaaromzet aan btw-plichtige activiteiten evenwel kleiner dan 5.580 euro (vanaf 1 april 2014: 15.000 euro), dan val je onder de vrijstelling van btw als ‘kleine onderneming’ . Op je ereloonota vermeld je dan: Kleine onderneming onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting, btw niet toepasselijk.” (art. 56 § 2 van het btw-wetboek en koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992).

Je moet evenmin aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen, indien je journalistiek als nevenberoep beoefent. Een journalist in nevenberoep is iemand die journalistiek werk levert voor media, en die daarnaast minstens halftime een andere baan (of soortgelijk statuut) heeft. Wie een baan in het onderwijs heeft, moet minstens een 60%-opdracht hebben om daarnaast te kunnen worden beschouwd als journalist in nevenberoep.

Je moet wel een ondernemingsnummer aanvragen bij een ondernemingsloket, als ‘niet-handelsonderneming naar privaat recht’, met Nacebel-code 90.031.

Is zelfstandige journalistiek je hoofdberoep, dan moet je aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen. Een lijst van die fondsen vind je in ons Vademecum voor Zelfstandige Journalisten, dat je – als VVJ-lid – kunt raadplegen op onze website (www.journalist.chilli).

Als je freelancet, ben je een zelfstandige ondernemer en dan is het inderdaad aangewezen om een ‘aannemingsovereenkomst’ of ‘samenwerkingscontract’ te hebben met je opdrachtgever(s). Een model van zo’n contract vind je als bijlage in het Vademecum voor Zelfstandige Journalisten.

Dat hoeft niet per se een contract per aparte opdracht te zijn. Er kan ook worden gewerkt met een raamcontract. Dat is een langer lopend contract waarin de opdrachten en voorwaarden alleen globaal zijn aangeven.

 

Ik ben net afgestudeerd als journalist en kan deeltijds bij de radio terecht. Daarnaast wil ik ook freelancen als journalist. Mag dat voor diezelfde radio? En hoe zit het met de btw en de sociale zekerheid?

 

Wie minstens een halftijdse baan heeft, kan daarnaast een zelfstandig nevenberoep hebben, maar in principe kan dat niet bij de werkgever waar je al als loontrekkende werkt.

Het kan eventueel toch, op voorwaarde dat de activiteiten als loontrekkende heel duidelijk zijn afgescheiden van het werk als zelfstandige (je zou bijvoorbeeld in loondienst werken voor de verkeersredactie van een radio, en in het weekend freelance voor de sportredactie van dezelfde werkgever).

Voorwaarde twee is dat je met die werkgever ook heel duidelijk een contract hebt dat stelt dat wat je als zelfstandige doet (ook eventuele fouten die je in die hoedanigheid zou kunnen maken) geen gevolgen heeft voor het werk in loondienst.

Freelancejournalistiek is vrijgesteld van btw (art. 44, §3, 3° van het btw-wetboek) als je een contract voor uitgave hebt  (de medecontractant verplicht er zich toe het werk te publiceren of uit te zenden) .Als je een ereloonnota opstelt, vermeld je die vrijstelling (en dat artikel) er het best bij.

Heb je geen contract voor uitgave (geen toezegging dat het werk zal worden gepubliceerd of uitgezonden) of werk je via een vennootschap, dan moet voor journalistiek werk 6% btw worden aangerekend. Is je jaaromzet aan btw-plichtige activiteiten evenwel kleiner dan 5.580 euro (vanaf 1 april 2014: 15.000 euro), dan val je onder de vrijstelling van btw als ‘kleine onderneming’ . Op je ereloonota vermeld je dan: Kleine onderneming onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting, btw niet toepasselijk.” (art. 56 § 2 van het btw-wetboek en koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992).

Als zelfstandige moet je wel een ondernemingsnummer aanvragen (als niet-handelsonderneming naar privaat recht, met Nacebel-code 90.031) bij een ondernemingsloket. 

Wat de sociale zekerheid betreft: wie minstens 50 procent in loondienst werkt (of een ander statuut heeft, zoals dat van werkloze, of 60 procent van een voltijdse leeropdracht in het onderwijs), is voor zijn journalistiek nevenberoep vrijgesteld van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds en hoeft dus ook geen bijdragen te betalen. Let wel: dat geldt louter voor een journalistiek nevenberoep, copywriting valt daar bijvoorbeeld niet onder.

 

Sinds bijna twee jaar schrijf ik freelance. Bestaat er voor mij een bepaald statuut of een officieel document, dat het me – ook in het buitenland – makkelijker kan maken om te werken?

 

Als je in hoofdberoep werkt als journalist, en geen commerciële nevenactiviteiten hebt, kun je een erkenning als beroepsjournalist aanvragen. Je moet daarvoor wel al twee jaar bezig zijn als journalist, zonder commerciële nevenactiviteiten.

Werk je voor algemene nieuwsmedia, dan kom je in aanmerking voor het statuut van beroepsjournalist. Werk je voor gespecialiseerde media, dan kun je de titel van journalist van beroep aanvragen. Die titels zijn wettelijk geregeld in respectievelijk een wet van 30 december 1963 en een KB van 12 april 1965.

Heb je minder dan twee jaar journalistiek beroepsverleden, dan kun je het statuut van stagiair aanvragen bij de VVJ. Eenmaal je de twee jaar journalistiek volbracht hebt, kun je je erkenning als volwaardig beroepsjournalist aanvragen. Pas op: wie langer dan twee jaar met journalistiek is gestopt, moet strikt gezien opnieuw eerst de twee jaar stage doorlopen.

Ben je niet in hoofdberoep met journalistiek bezig (bijvoorbeeld omdat je een andere hoofdjob hebt) of ontplooi je ook commerciële bijactiviteiten, dan kun je het statuut van beroepsjournalist niet krijgen. Je kunt je dan wel bij de VVJ aansluiten als ‘persmedewerker’. Dan heb je recht op de diensten van het VVJ-secretariaat (juridisch, deontologisch, sociaal en enig fiscaal advies), krijg je maandelijks het vakblad De Journalist en jaarlijks de Journalistenagenda, en heb je toegang tot het Vademecum voor Zelfstandige Journalisten.

Op onze website (www.journalist.chilli) vind je meer informatie over het statuut en kun je formulieren downloaden voor het aanvragen van een erkenning als beroepsjournalist of voor toetreding tot de VVJ als persmedewerker.

Als beroepsjournalist kun je via de VVJ een internationale perskaart aanvragen.

 

Binnen welke termijn moet een opdracht worden betaald?

 

In principe zou dit moeten gebeuren kort (bv. twee weken tot een maand) nadat je je ereloonnota of factuur hebt opgestuurd, ongeacht of je werk al is gepubliceerd of uitgezonden..

Maar vaak gebeurt de betaling pas een maand na publicatie van foto/artikel. Dit is een laakbare praktijk, maar vaak heeft de freelancer er weinig weerwerk tegen. Sommige glossy magazines laten een artikel soms lang in een lade zitten en betalen hun leverancier (de freelancer) niet zolang het niet is gepubliceerd. Uitkijken daarmee! Een telefoontje naar de VVJ om te informeren naar de reputatie van bepaalde opdrachtgevers kan moeilijkheden voorkomen.

Soms blijken opdrachtgevers heel creatief om te springen met het begrip “gratis krediet” en moeten ze diverse keren worden gemaand tot ze tot betaling overgaan.

Wettelijk gezien kun je een vergoeding eisen vanaf het ogenblik dat een product of een dienst is geleverd. Maar in de praktijk wordt wat tijd gegund. Op de facturen die je zelf ontvangt (telefonie, internet, verzekeringen, noem maar op) staat meestal een datum waarbinnen ze moeten worden betaald. Vaak is dat drie weken tot een maand nadat ze bij je in de bus zijn gevallen. Niets belet je om ook op jouw ereloonnota’s of facturen een uiterste betalingstermijn te vermelden.

 

Als de eindredactie mijn tekst verandert en daardoor ontstaat een fout in het bericht, wie is dan verantwoordelijk als een benadeelde persoon zich tot de rechtbank wendt?

 

Wettelijk is de journalist de eerste die aansprakelijk is als zijn werkstuk niet blijkt te kloppen en de benadeelde daartegen in het verweer gaat. Dat heet de getrapte verantwoordelijkheid in persaangelegenheden. Artikel 25 van de Grondwet zegt letterlijk: “De drukpers is vrij. (…) Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd.” Alleen als je je werk niet zou ondertekenen en je onbekend blijft, kan de uitgever aansprakelijk worden gesteld.

Die beroepsaansprakelijkheid voor fouten speelt zowel op het strafrechtelijke als op het burgerrechtelijke vlak. Op strafrechtelijk vlak kunnen journalisten voor hun ‘opiniedelicten’, die dan onder de noemer ‘persdelict’ vallen, alleen door het hof van assisen worden berecht (artikel 150 van de Grondwet). In de praktijk komen assisenzaken tegen de pers evenwel niet voor. ‘Technische’ misdrijven, die niet neerkomen op het formuleren van een opinie, vallen overigens niet onder de juridische voorrangregeling via het hof van assisen en de feitelijke immuniteit die daaruit volgt. Denk aan het gebruik maken van een scanner, het vrijgeven van de identiteit van een minderjarige verdachte of het slachtoffer van zedencriminaliteit, het misbruik maken van inzagerecht in gerechtsdossiers, en dergelijke meer. Dat soort inbreuken wordt voor de gewone correctionele rechtbanken vervolgd – wat in de praktijk ook meer dan eens gebeurt.

Zeker freelancejournalisten moeten zich goed bewust zijn van die strafrechtelijke beperkingen die de wet op de journalistieke informatiegaring en informatieweergave stelt.

De (gedeeltelijk) strafrechtelijke immuniteit van de pers heeft in de loop der jaren wel geleid tot een opmerkelijke toename van het aantal burgerrechtelijke claims en processen tegen journalisten. Vaak met een veroordeling tot gevolg. Het Hof van Cassatie heeft de ‘getrapte’ verantwoordelijkheid van de pers – wat in de praktijk meestal neerkomt op de individuele verantwoordelijkheid van de journalist – intussen ook tot deze burgerlijke zaken uitgebreid.

Dat creëert – vooral, maar niet uitsluitend – voor freelancejournalisten het risico dat ze moederziel alleen soms lastige processen moeten verwerken en zware schadeclaims moeten torsen. Collega’s in loondienst kunnen vaak een beroep doen op een advocaat ‘van het bedrijf’ – maar dat is geen garantie – terwijl dat voor freelancers meestal niet het geval is. En draait de rechtszaak uit op een veroordeling, dan moet soms een flinke schadevergoeding worden betaald.

Om journalisten te verzekeren tegen de gevaren van veroordelingen tot zware schadevergoedingen heeft de AVBB (VVJ samen met de Franstalige AJP) in september 2007 een polis beroepsaansprakelijkheid journalisten afgesloten met een verzekeraar. Voor het bedrag van 100 euro (plus 9,25 % belasting) per jaar kan de journalist (indien lid van VVJ, AJP of van de vereniging van de periodieke pers VJPP) zich aldus indekken tegen het risico van schadeclaims voortvloeiend uit zijn werk. Meer informatie over die verzekering vind je apart op onze website.

Ik maak het vaak mee dat de stukken die ik aan de krant lever tot de helft worden ingekort. Aangezien ik word betaald per letterteken betekent dat voor mij telkens financieel verlies. Kan dat zomaar?

 

Nee, als een opdrachtgever een tekst bestelt van 9.000 lettertekens en er maar 4.500 van publiceert, moet hij toch betalen voor 9.000 tekens. Alleen is het dan aan jou om te bewijzen dat er 9.000 tekens waren besteld. Vandaar het belang van het laten bevestigen (eventueel via e-mail) van een opdracht.

Leg je de uitgever zelf, op eigen initiatief, een tekst voor van 9.000 tekens, waarvan hij er 4.500 publiceert, dan hoeft hij er ook maar 4.500 te betalen.

Met andere woorden: een opdracht moet worden betaald zoals is afgesproken, ongeacht of het artikel of de foto’s zijn gepubliceerd (vooropgesteld natuurlijk dat de kwaliteit van je werk beantwoordt aan wat kan worden verwacht). Stap je zelf met werk naar een uitgever, dan moet die maar betalen voor wat hij ervan gebruikt.

 

Ik werk als zelfstandige journalist, maar doe op de redactie eigenlijk hetzelfde werk als collega-journalisten. Ben ik dan een valse zelfstandige?

 

Als je niet zelf je werk kunt regelen en niet vrij bent om zelf je agenda, je vakanties en je werkuren te bepalen, dan is de kans groot dat je eigenlijk de facto een werknemer bent in plaats van een echte zelfstandige. We spreken dan van schijnzelfstandigheid.

In het verleden is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) daar kordaat tegen opgetreden en heeft ze voor de rechtbanken enkele keren gelijk gekregen, met als gevolg dat een aantal zelfstandigen als werknemers werden beschouwd, voor wie de opdrachtgever sociale premies moest betalen.

De meer recente rechtspraak neigt evenwel meer tot het bekijken van de geschreven overeenkomst tussen de partijen, veeleer dan het in overweging nemen van de dagelijkse praktijk van de journalist op de redactie.

 

Ik krijg geregeld opdrachten, via de reactiechef, per telefoon. Is dat oké?

 

Zolang alles goed gaat, wel. Maar je hebt natuurlijk helemaal niets om op terug te vallen als het fout loopt. Er bestaat weliswaar een ‘aannemingscontract’ van zodra alle partijen – en dat zijn hier jij en de reactiechef – een zogenaamde wilsovereenkomst hebben bereikt, maar hoe ga je dat bewijzen als het louter om een kort telefoongesprek gaat?

Daarom: vraag altijd om een mailtje waarin de opdracht wordt bevestigd. Bij voorkeur met de nodige details (gewenste lengte van het artikel, eventueel de invalshoek, het aantal foto’s dat wordt verwacht van een onderwerp, enzovoort) én het overeengekomen honorarium.

Je kunt ook werken met een algemeen aannemingscontract. Een aannemingscontract kan betrekking hebben op een eenmalige prestatie, maar het kan ook worden gebruikt voor een langdurige samenwerking. Zo’n contract kan zelfs een wederzijdse opzeggingstermijn vermelden, bij het beëindigen van de samenwerking.

Een aannemingscontract mag je evenwel niet verwarren met een arbeidscontract: het is niet omdat je een langdurige samenwerking hebt met een uitgever of een audiovisuele productiemaatschappij dat er sprake is van ‘werken onder gezag, leiding en toezicht’. Is dat laatste wél het geval, dan ben je aan de slag als ‘schijnzelfstandige’. Je zou dan eigenlijk als loontrekkende in dienst moeten zijn van je opdrachtgever.

 

Moet ik als zelfstandig journalist een btw-nummer hebben? En welk btw-tarief geldt dan voor journalistiek werk?

 

Elke zelfstandige (zowel in hoofd- als in nevenberoep) moet een ondernemingsnummer hebben. Of dat nummer al dan niet ook moet worden geactiveerd als btw-nummer, hangt van enkele factoren af.

Freelancejournalistiek is vrijgesteld van btw (art. 44, §3, 3° van het btw-wetboek) als je een contract voor uitgave hebt  (de medecontractant verplicht er zich toe het werk te publiceren of uit te zenden) .Als je een ereloonnota opstelt, vermeld je die vrijstelling (en dat artikel) er het best bij.

Heb je geen contract voor uitgave (geen toezegging dat het werk zal worden gepubliceerd of uitgezonden) of werk je via een vennootschap, dan moet voor journalistiek werk 6% btw worden aangerekend. Is je jaaromzet aan btw-plichtige activiteiten evenwel kleiner dan 5.580 euro (vanaf 1 april 2014: 15.000 euro), dan val je onder de vrijstelling van btw als ‘kleine onderneming’ . Op je ereloonota vermeld je dan: Kleine onderneming onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting, btw niet toepasselijk.” (art. 56 § 2 van het btw-wetboek en koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992).

 

Heb ik als zelfstandig journalist een ondernemingsnummer nodig?

 

Ja, sinds juli 2009 hebben ook vrije beroepen een ondernemingsnummer nodig. Dat nummer kun je aanvragen bij een ondernemingsloket (vaak hebben sociaalverzekeringsfondsen zo’n loket).

Vraag een ondernemingsnummer aan als ‘niet-handelsonderneming naar privaat recht’. Dat is gratis. De Nacebel-code voor freelancejournalistiek is 90.031.

 Freelancejournalistiek is vrijgesteld van btw (art. 44, §3, 3° van het btw-wetboek) als je een contract voor uitgave hebt  (de medecontractant verplicht er zich toe het werk te publiceren of uit te zenden) .Als je een ereloonnota opstelt, vermeld je die vrijstelling (en dat artikel) er het best bij.

Heb je geen contract voor uitgave (geen toezegging dat het werk zal worden gepubliceerd of uitgezonden) of werk je via een vennootschap, dan moet voor journalistiek werk 6% btw worden aangerekend. Is je jaaromzet aan btw-plichtige activiteiten evenwel kleiner dan 5.580 euro (vanaf 1 april 2014: 15.000 euro), dan val je onder de vrijstelling van btw als ‘kleine onderneming’ . Op je ereloonota vermeld je dan: Kleine onderneming onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting, btw niet toepasselijk.” (art. 56 § 2 van het btw-wetboek en koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992).

 

Is werken via een uitzendkantoor een oplossing voor beginnende freelancers?

 

Voor zelfstandigen die geregeld langlopende opdrachten vervullen, kan dit een interessante formule zijn. Diverse uitzendkantoren bieden, via een gespecialiseerde afdeling, hun diensten op dat vlak aan.

Het uitgangspunt is dat de zelfstandige vooraf met een opdrachtgever overeenstemming bereikt over het uit te voeren werk, de werktijden, honoraria, onkostenvergoedingen en dies meer. Voor de duur van het project treedt de zelfstandige dan officieel in loondienst bij een uitzendkantoor, dat voor de administratieve en financiële afwikkeling optreedt als schakel tussen opdrachtgever en journalist.

Het uitzendkantoor berekent op basis van het tussen opdrachtgever en journalist afgesproken honorarium een brutoloon waarin ook sociale bijdragen (zowel de patronale als die van de werknemer), fiscale voorheffingen en een vergoeding voor het uitzendkantoor zelf verrekend zijn. Dat bedrag wordt gefactureerd aan de opdrachtgever. Het uitzendkantoor kwijt zich van de betaling van alle sociale en fiscale bijdragen, en betaalt vervolgens het afgesproken honorarium als loon uit aan de ‘zelfstandige’.

De voordelen voor de ‘zelfstandige’ zijn dat hij vrij blijft in het kiezen van opdrachten, zonder dat hij de gebruikelijke administratieve, sociale en fiscale papierwinkel van de zelfstandige moet doorworstelen. Hij heeft officieel het statuut van werknemer, met de belangrijke voordelen op het vlak van vaste betaling en sociale zekerheid (denk aan ziekte, arbeidsongevallen en werkloosheid).

Let wel: het brutoloon dat je via het uitzendkantoor krijgt, mag niet lager zijn dan wat een soortgelijke journalist in vaste dienst bij de opdrachtgever (dagblad, weekblad, radio, tv, enzovoort) ontvangt. Dat is zo geregeld door de wet op de uitzendarbeid. In de praktijk hebben we in het recente verleden gemerkt dat opdrachtgevers en uitzendkantoren wel eens een loopje durven te nemen met die wet. Om niet onder het minimumuurloon te duiken, werd het dagbedrag op de loonfiche gedeeld door een minder aantal uren dan de werkelijk gepresteerde uren, zodat het officiële minimum uurloon alvast op papier toch werd gehaald.

Hou er ook rekening mee dat van het bedrag dat de opdrachtgever betaalt, er hooguit één derde overblijft nadat alle sociale en fiscale lasten en de commissei van het uitzendkantoor zijn betaald.

 

 

Ik wil beginnen als zelfstandig journalist. Moet ik me aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen?

 

Heb je een ander hoofdberoep (minstens 50% van een fulltime, of 60% indien je in het onderwijs staat), en is journalistiek je nevenberoep, dan hoef je niet aan te sluiten bij een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen. Je moet wel een ondernemingsnummer aanvragen (als niet-handelsonderneming naar privaat recht, met Nacebel-code 90.031) bij een ondernemingsloket.

Is zelfstandige journalistiek je hoofdberoep, dan moet je meteen aansluiten bij een sociaalverzekeringsfonds. Je betaalt dan kwartaalbijdragen voor je sociale zekerheid. De hoogte daarvan is gebaseerd op je inkomsten van drie jaar terug.

Als beginner heb je evenwel geen referentieperiode en daarom wordt gewerkt met “voorlopige” bijdragen. Die bedragen nu (in 2014) 660 euro plus beheerskosten (eerste jaar als starter) à 692 euro plus beheerskosten (derde jaar) per kwartaal. Blijkt later dat je meer hebt verdiend dan het netto jaarinkomen waarop die voorlopige bijdrage is gebaseerd (nu gebaseerd op een jaarinkomen van  ruim 12.870 euro), dan zul je moeten bijbetalen. De maximale kwartaalbijdrage is 3.989 euro (plus beheerskosten).

Daar moet dan nog het precentage worden bijgeteld dat je sociaalverzekeringsfonds aanrekent als beheerskosten. In de praktijk ligt dat tussen 3,05 en 4,25 procent van je sociale bijdragepremie.

 

Freelancejournalistiek, kun je daarvan leven?

 

Her en der vind je een freelancejournalist die riant leeft van zijn werk als redacteur, fotograaf of televisiemedewerker. Maar laten we eerlijk zijn: dat zijn uitzonderingen. Vooral wie als freelancer voor dagbladen werkt, moet al aardig wat tekst of foto’s leveren om een fatsoenlijk inkomen te vergaren. Tenzij je al een klinkende naam hebt en paginagrote interviews mag leveren.

Algemene tarieven bestaan niet, zelfs bij één en dezelfde redactie gelden soms tarieven à la tête du client.  De VVJ adviseert zelf een minimumtarief van 1,22 euro à 3,05 euro per regel van 60 tekens, afhankelijk van de aard van het werk (verslaggeving, commentaar, reportages, interviews) en van de oplage van de krant. Dat levert dan bijvoorbeeld 81 euro à 203 euro op per pagina van 4000 tekens. Nog altijd heel bescheiden, als je het afzet tegen de geïnvesteerde tijd.

De gespecialiseerde pers (vaak magazines gespecialiseerd in bepaalde sectoren, zoals auto’s, mode, ICT, fotografie, noem maar op) hanteert tarieven per pagina van 25 regels met 60 tekens (1500 tekens, dus). Die gaan van 45 euro tot 105 euro voor 1500 tekens. Opnieuw uitgaande van een met tekstverwerker opgestelde pagina met 4000 tekens, kom je dan uit op 120 à 280 euro voor zo’n pagina.

Uit een enquête die de VVJ in 2009 heeft gehouden onder freelancers, bleken magazines (week- en maandbladen) ergens tussen 100 en ruim 200 euro per pagina van 4000 tekens te betalen; De dagbladen bleken een heel gedifferentieerd tarievensysteem te hanteren, met nogal wat variabelen (regionale, provinciale en nationale pagina’s, voorpagina, exclusiviteit, …), maar algemeen kun je stellen dat je als freelancer door een dagblad minder betaald krijgt voor eenzelfde productie dan door een weekblad.

Cameramen werken meestal voor een dagtarief (van 10 uren) en kregen daarvoor in 2009 tussen 275 en 350 euro.
Uit een recente enquête van onze Franstalige zusterorganisatie AJP bleek dat in 2011 vier op de tien freelancers in Franstalig België minder dan 2.000 euro bruto per maand verdiende.
 
Laten we even vergelijken met een loontrekkende. Voor een dagblad geldt voor een universitair geschoolde in loondienst een startloon van ongeveer 2.900 euro per maand (oplage < 80.000 exemplaren) tot 3.232 euro per maand (>180.000 exemplaren). Dat brutoloon moet je met 13,92 (vakantiegeld + 13de maand) vermenigvuldigen om tot een jaarloon te komen:  40.368 euro tot 44.989 euro dus, voor 11 maanden werk, min een tiental officiële feestdagen. Dat levert een uurloon (in vaste dienst) op van ongeveer 24 à 27 euro voor een beginnende dagbladjournalist.

Wil je weten hoeveel je per uur moet verdienen als freelancer om tot een vergelijkbar resultaat te komen, dan moet je daar nog eens de patronale sociale bijdrage (pakweg 35%) bijrekenen. Dan kom je aan ruim 32 à 36,50 euro per uur. Reken dan niet alleen de uren die je aan het schrijven of aan het filmen bent. Ook alle uren aan voorbereiding en afwerking moet je erbij tellen.
 

 

Ik ben van plan als freelancejournalist te beginnen. Is daar een voldoende grote markt voor?

 

Een goede vraag die helaas te weinig gegadigden zich stellen.

Door fusies van mediagroepen – met de daarbij gepaard gaande ‘synergieën’ – staat het totale aantal journalistieke banen bij de traditionele media wel op de tocht. Maar uit ons databestand blijkt dat een vierde van het totale aantal Belgische journalisten uit freelancers bestaat, en dat dit aandeel nog toeneemt. Dat komt omdat uitgevers tegenwoordig liever een beroep doen op al dan niet gespecialiseerde freelancers voor bepaalde opdrachten, waardoor ze besparen op vaste redactionele krachten.

Bovendien steken nieuwe media de kop op en die hebben vaak niet de middelen om een echte redactiestaf op te zetten. Maar meestal zijn die nieuwe media ook nog niet echt winstgevend.

Een advies: als freelancer ben je een ondernemer. Zoek dus een niche waarin je je specialiseert en/of breid je actieradius uit. Blijf niet rond de kerktoren draaien, maar spreid je vleugels. Nederland telt 2,6 keer zoveel mensen (marktpotentieel!) als Vlaanderen. En  ben je erg goed in het Engels, dan kan de helft van de wereld je markt worden.

 

Als net afgestudeerde master radio- en televisiejournalist begin ik binnenkort parttime in loondienst te werken als verkeersredacteur. Daarnaast wil ik freelancen als journalist. Hoe zit het met de btw en de sociale zekerheid?

 

Wie minstens een halftijdse baan heeft, kan daarnaast een zelfstandig bijberoep hebben, maar in principe kan dat niet bij de werkgever waar je al als loontrekkende werkt. Het kan eventueel, op voorwaarde dat de activiteiten als loontrekkende heel duidelijk zijn afgescheiden van het werk als zelfstandige (je zou bijvoorbeeld freelance kunnen werken voor de sportredactie van dezelfde werkgever).

Voorwaarde twee is dat je met die werkgever ook heel duidelijk een contract hebt dat stelt dat wat je als zelfstandige doet (ook eventuele fouten die je in die hoedanigheid zou kunnen maken) geen gevolgen heeft voor je baan in loondienst.

Freelancejournalistiek is vrijgesteld van btw (art. 44, §3, 3° van het btw-wetboek) als je een contract voor uitgave hebt  (de medecontractant verplicht er zich toe het werk te publiceren of uit te zenden) .Als je een ereloonnota opstelt, vermeld je die vrijstelling (en dat artikel) er het best bij.

Heb je geen contract voor uitgave (geen toezegging dat het werk zal worden gepubliceerd of uitgezonden) of werk je via een vennootschap, dan moet voor journalistiek werk 6% btw worden aangerekend. Is je jaaromzet aan btw-plichtige activiteiten evenwel kleiner dan 5.580 euro (vanaf 1 april 2014: 15.000 euro), dan val je onder de vrijstelling van btw als ‘kleine onderneming’ . Op je ereloonota vermeld je dan: Kleine onderneming onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting, btw niet toepasselijk.” (art. 56 § 2 van het btw-wetboek en koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992).

Een ondernemingsnummer moet je wel hebben: dat kun je aanvragen bij een ondernemingsloket (te vinden bij o.m. de sociaalverzekeringsfondsen). Je moet een ondernemingsnummer vragen als ‘niet-handelsonderneming naar privaat recht’. De Nacebel-code is 90.031. 

Wat de sociale zekerheid betreft: wie minstens 50 procent in loondienst werkt (of een ander statuut heeft, zoals dat van werkloze, of 60 procent van een voltijdse leeropdracht in het onderwijs), die is voor zijn journalistiek bijberoep vrijgesteld van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds en hoeft dus ook geen bijdragen te betalen. Let wel: dat geldt louter voor een journalistiek bijberoep, copywriting valt daar bijvoorbeeld niet onder.

 

Het Brusselse parket en de federale politie hebben met aandrang verzocht om niet langer herkenbare foto’s of bewegende beelden te verspreiden van de twee verdachten in de moordzaak-Joe Van Holsbeeck. Op zijn minst moesten de gezichten volledig onherkenbaar worden gemaakt. Kunnen justitie en politie dit zomaar eisen van de nieuwsmedia?

Vreemd is het wel: eerst verspreidt justitie zelf beelden van de gezochte aanranders van Joe Van Holsbeeck, en eens die zijn gevonden, mogen dezelfde beelden niet langer openbaar worden gemaakt. Justitie heeft alleszins een heel formeel argument om dat te vragen: artikel 433bis van het Strafwetboek (de federale politie verwees in haar mededeling nog verkeerdelijk naar het intussen opgeheven artikel 80 van de Jeugdbeschermingswet).

Artikel 433bis SWB verbiedt elke publicatie en verspreiding door middel van welke procédés ook van teksten, tekeningen, foto’s of beelden waaruit de identiteit kan blijken van een minderjarige persoon die wordt vervolgd.

Jongeren die als slachtoffer in de jeugdbescherming terechtkomen, genieten trouwens net dezelfde bescherming tegen publiciteit. Justitie voegde eraan toe dat ze nu pas duidelijk weet dat de twee verdachten minderjarig zijn, vandaar dat ze niet eerder om het publicatieverbod vroeg.

Praktisch alle nieuwsmedia hebben zich strikt aan het verzoek van het gerecht gehouden. De straffen op overtreding zijn overigens niet min: een celstraf van 2 maand tot 2 jaar en/of een boete van 300 tot 3.000 euro.

Het neemt niet weg dat de anonimiseringsverplichting uit artikel 433bis SWB iets absurds heeft wanneer de media – op voorzet van justitie dan nog – eerder de beelden van een jongere massaal hebben verspreid. Wellicht kan de wet op dit punt een uitzondering gebruiken. Een idee voor een wakker parlementslid?

In de Sint-Pauluskerk in Antwerpen is afscheid genomen van het meisje Luna, een van de slachtoffers van de moordraid van Hans Van Themsche. De familie Drowart stond erop de plechtigheid in alle sereniteit te kunnen houden, zonder dat een garnizoen beeldjournalisten hun rouwproces zou verstoren. De grootvader van Luna contacteerde hierover het VVJ-secretariaat, en samen bereikten we de volgende schikking.

 

Eén fotograaf van het persagentschap Belga werd toegelaten om in de kerk beelden te maken. Aan hem werd wel gevraagd niet in te zoomen op de gezichten van de naaste familieleden, die rond de lijkkist gingen postvatten. Die regeling sloot aan bij afspraken die eerder ook waren gemaakt tussen de familie van Joe Van Holsbeeck en de pers, naar aanleiding van de begrafenis van Joe.

Na de plechtigheid stelde Belga de foto’s vrij ter beschikking, zodat ook andere fotoagentschappen er gebruik konden van maken. Overigens viel het op het moment van de plechtigheid zelf behoorlijk mee met de persdrukte, en dat liet ook nog enkele andere persfotografen toe beelden te maken.

Daarmee hadden de televisiezenders natuurlijk nog geen bewegend beeld. Aanvankelijk stond de familie uiterst negatief tegenover de aanwezigheid van televisieploegen in de Sint-Pauluskerk – ook al door de interesse van verscheidene buitenlandse zenders. Toch werd uiteindelijk aan VRT en VTM de toelating gegeven om een camera op te stellen in het hoogkoor van de kerk. Een belangrijke voorwaarde was dat beide zenders hun beelden ter beschikking zouden stellen van hun binnen- en buitenlandse partners. Zo zou VTM ook de Antwerpse regiozender ATV bedienen, en zou VRT zijn beelden bezorgen aan het EBU-netwerk. Ook aan de cameramannen werd met aandrang gevraagd geen close ups te maken van de naaste familieleden van Luna Drowart.

De familie verzoekt de media overigens ook in de toekomst respect op te brengen voor haar leed. De VVJ/AVBB heeft op verzoek van de familie die bekommernis via haar eigen communicatiekanalen verspreid.

 

Een Ketnet-presentator is betrapt op het bezit van kinderporno. Schrijven we dan de naam voluit of beperken we ons tot een afkorting?

 

Als enige krant heeft Metro de naam van televisiefiguur Tom Gernaey als Tom G. afgekort. Een lovenswaardige poging om het recht op privacy en het vermoeden van onschuld te vrijwaren, maar wellicht toch té. Gernaey is zonder twijfel een publieke figuur, en wat hem ten laste wordt gelegd, heeft ook relevantie voor zijn rol als Ketnet-gezicht. Bovendien reageerde hijzelf, weliswaar kort maar toch publiekelijk, op de gang van zaken. Ook dat onthief de redacties van een anonimiseringsplicht.

 

Kan ik worden erkend als beroepsjournalist als ik gedurende enkele uren per week ook als webmaster werk voor de website van mijn vroegere werkgever in de textielsector? Ik heb daar als journalist weliswaar nog nooit één artikel over geschreven. Dat webmasterschap zorgt wel voor het spreekwoordelijke ‘zout op mijn patatten’.

 

Je vraag is doorgestuurd aan het secretariaat van de Erkenningscommissie, die als enige wettelijk bevoegd is om beroepsjournalisten te erkennen (de VVJ/AVBB is dat niét, ook al is ze wel betrokken bij de werking van de commissie).

En helaas: het omschreven werk zal door de commissie worden beschouwd als een commerciële activiteit. De Erkenningscommissie stelt zich wel wat soepeler op ten aanzien van een echt occasionele extra inkomst, maar voor een geregeld terugkerende commerciële activiteit blijft gelden dat dit niet verenigbaar is met het statuut van beroepsjournalist. Dura lex, sed lex.

Als kersverse freelancejournalist moet ik dringend mijn sociaal statuut in orde brengen. Intussen zit ik te azen op een andere, halftijdse job. Mijn vraag: als ik me nu meld als zelfstandige in hoofdberoep, kan ik dan binnen enkele weken makkelijk omschakelen naar zelfstandige in bijberoep?

 

Als zelfstandig journalist in hoofdberoep moet je inderdaad aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds. De minimumbijdrage in hoofdberoep bedraagt nu (anno 2014) ongeveer 707 euro (plus beheerskosten) per kwartaal. Met een halftijdse job erbij (of als uitkeringsgerechtigde werkloze) ben je journalist in nevenberoep, en als zodanig vrij van aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds.

Dat betekent in de praktijk dat je alleen voor het eerste kwartaal een bijdrage moet betalen, indien je al snel een halftijdse baan in loondienst vindt. Het sociaalverzekeringsfonds maakt de omschakeling van hoofd- naar bijberoep (in het geval van journalistiek: bijdragevrij) normaliter snel en gemakkelijk. Een halftijdse job veronderstelt wel minimaal 50 procent van een voltijdse dagtaak. Wie les geeft, moet minstens 60 procent van een voltijdse lesopdracht hebben.

In oktober van dit jaar zijn er gemeenteraadsverkiezingen. En dus stellen ook nu weer vele (beroeps)journalisten zich de vraag: kunnen wij kandidaat zijn? En wat – je weet maar nooit – als we verkozen zijn?

 

Uiteraard hebben journalisten, net als iedereen, het recht op een politieke overtuiging en in principe belet niets hen om daar ook voor uit te komen. Toch zal het voor journalisten niet altijd even opportuun zijn zich politiek te engageren en te profileren. Dat geldt zeker voor politieke journalisten, meer in elk geval dan voor pakweg een sportjournalist die op de 26ste plaats van een lokale lijst gaat staan.

Vroeger, toen de nieuwsmedia nog netjes politiek verkaveld waren, lag dat helemaal anders; toen was partijpolitiek engagement soms een plicht. Hoe dan ook is het cruciaal na te gaan welke regeling bestaat op bedrijfsniveau. Raadpleeg daarvoor het redactiestatuut of de deontologische code van de redactie.

Is die regeling onduidelijk, dan kan het nooit kwaad je ambities vooraf te overleggen met de hoofdredactie. Contacteer desnoods het VVJ-secretariaat.

Ook voor het opnemen van een politiek mandaat moet de bedrijfsregeling worden nagegaan en het gepaste overleg gevoerd. Gaat het om een professioneel mandaat – burgemeester of schepen zeg maar – dan ontstaat er alleszins een onverenigbaarheid met de titel van beroepsjournalist.