Beelden van minderjarigen?

Het Brusselse parket en de federale politie hebben met aandrang verzocht om niet langer herkenbare foto’s of bewegende beelden te verspreiden van de twee verdachten in de moordzaak-Joe Van Holsbeeck. Op zijn minst moesten de gezichten volledig onherkenbaar worden gemaakt. Kunnen justitie en politie dit zomaar eisen van de nieuwsmedia?

Vreemd is het wel: eerst verspreidt justitie zelf beelden van de gezochte aanranders van Joe Van Holsbeeck, en eens die zijn gevonden, mogen dezelfde beelden niet langer openbaar worden gemaakt. Justitie heeft alleszins een heel formeel argument om dat te vragen: artikel 433bis van het Strafwetboek (de federale politie verwees in haar mededeling nog verkeerdelijk naar het intussen opgeheven artikel 80 van de Jeugdbeschermingswet).

Artikel 433bis SWB verbiedt elke publicatie en verspreiding door middel van welke procédés ook van teksten, tekeningen, foto’s of beelden waaruit de identiteit kan blijken van een minderjarige persoon die wordt vervolgd.

Jongeren die als slachtoffer in de jeugdbescherming terechtkomen, genieten trouwens net dezelfde bescherming tegen publiciteit. Justitie voegde eraan toe dat ze nu pas duidelijk weet dat de twee verdachten minderjarig zijn, vandaar dat ze niet eerder om het publicatieverbod vroeg.

Praktisch alle nieuwsmedia hebben zich strikt aan het verzoek van het gerecht gehouden. De straffen op overtreding zijn overigens niet min: een celstraf van 2 maand tot 2 jaar en/of een boete van 300 tot 3.000 euro.

Het neemt niet weg dat de anonimiseringsverplichting uit artikel 433bis SWB iets absurds heeft wanneer de media – op voorzet van justitie dan nog – eerder de beelden van een jongere massaal hebben verspreid. Wellicht kan de wet op dit punt een uitzondering gebruiken. Een idee voor een wakker parlementslid?