Freelancejournalisten verdienen beter

Terwijl de federale overheidssteun voor de postbedeling van kranten geleidelijk aan wordt teruggeschroefd, praten de regering en de perssector over andere vormen van mediasteun. Een bijzondere fiscale behandeling van journalisten als houders van auteursrechten is een goede optie. Maar dan moet ze wel redelijk worden uitgevoerd.

 

Auteurs genieten sinds 2008 van een voordelig belastingregime. Daarmee wilde de federale overheid vooral inspelen op de hoogst onzekere situatie waarin creatieve beroepen verkeren. Een voordelig belastingtarief van 15 procent op een deel van het beroepsinkomen komt daaraan tegemoet. Wat loontrekkende journalisten betreft, viel tot dusver 30 procent van het loon onder het voordeeltarief van 15 procent; voor zelfstandige journalisten liep dat op tot de helft van de vergoeding.

Zopas ging het kernkabinet met de borstel door dat belastingregime. Want ook IT’ers, consultants, architecten en advocaten bleken het te hebben ontdekt, en maakten er wat gretig gebruik van. Voortaan beperkt de overheid het toepassingsgebied tot kunstenaars en auteurs die via een uitgever hun werk meedelen aan het publiek. In die laatste categorie zitten onder meer journalisten, zo liet minister van Financiën Vincent Van Peteghem (CD&V) intussen verstaan.

Dat laatste is een goede zaak. Over journalistiek kan – net zoals over kunst – veel en heftig worden gedebatteerd, maar in wezen gaat het om een publiek goed. In dit land staan journalisten via hun beroepsvereniging bovendien garant voor een beroepsethiek, en ze kunnen daar voor een Raad voor de Journalistiek ook worden op aangesproken. Een en ander verantwoordt wel degelijk dat overheden hier en daar ondersteuning bieden aan nieuwsmedia en journalisten – ook al zal dat af en toe dan nog met een grimas moeten gebeuren.

Journalisten zijn overigens geen grootverdieners. En ook al boeren hun werkgevers, de nieuwsmediabedrijven, de voorbije jaren wél opmerkelijk goed, de sector blijft in deze disruptieve informatietijden hoogst volatiel. Overheidssteun kan die onzekerheid helpen counteren. Zeker wanneer ze meer specifiek op journalisten wordt gericht, rechtstreeks of – via incentives voor de werkgevers – onrechtstreeks. Zo’n journalist-gericht steunbeleid dient lineair de kwaliteit van het journalistieke aanbod, meer dan overheidssteun voor de postbedeling van kranten of voor dubieuze technologische innovaties dat doet.

 

Uitschuiver

In dat verband maakte het kernkabinet bij de hervorming van het fiscaal regime van auteursrechten wel een zware uitschuiver. Het besliste namelijk om voortaan voor alle auteurs het fiscale voordeeltarief van 15 procent te beperken tot 30 procent van het professionele inkomen. Voor zelfstandige journalisten, die tot dusver 50 procent van hun vergoeding konden inbrengen onder het 15 %-tarief, is dat een aanzienlijke terugval. Simulaties wijzen uit dat zelfstandige journalisten met de nieuwe regeling ruim de helft meer belasting zullen moeten betalen. In absolute cijfers gaat het snel over sommen om en rond 3000 euro, wat voor zo’n journalist makkelijk neerkomt op een maandvergoeding.

En dat voor journalisten die sowieso al kampen met lage vergoedingen. Tergend in dat verband blijft overigens dat omzeggens alle Vlaamse mediahuizen mordicus weigeren hun freelancejournalisten een collectieve en structurele indexering toe te kennen, die hen toelaat in te spelen op de dramatische stijgingen van werk- en leefkosten in deze crisistijd. Voor veel journalisten betekent de uitholling van hun fiscale statuut nog meer financiële ellende, voor niet-weinigen wordt het mogelijk de finale duw uit het vak.

De wetgever komt het toe deze weeffout in de nieuwe wet nog tijdig weg te werken. Maar tegelijk heeft ze natuurlijk ook een punt wanneer ze de mediabedrijven oproept om wat meer budgettaire verantwoordelijkheid aan de dag te leggen voor hun redacties en journalisten.

 

Pol Deltour

Nationaal secretaris VVJ/AVBB