Belastingaangifte 2022: wegwijs voor zelfstandige journalisten

Belastingaangifte 2022: wegwijs voor zelfstandige journalisten

 

Deze bijdrage loodst zelfstandige journalisten (eenmanszaken) door de belastingaangifte (personenbelasting) 2022 en focust op fiscaliteit eigen aan het journalistenberoep. Op het einde komt ook specifieke info aan bod voor journalisten in bijberoep en voor wie occasioneel bijverdient in de journalistiek. Lees dit artikel samen met belastinggidsen van kranten, Test-Aankoop of andere spelers.

 Charlotte Michils, juridisch adviseur VVJ/AVBB

 

(Foto: Sebastian Vervenne/Visualize/Photo News)

Download dit artikel in pdf.

 

  1. Enkele deadlines op een rijtje

 

De papieren aangifte moet uiterlijk 30 juni bij de fiscus in de bus vallen. Wie online indient via tax-on-web krijgt een 2 weken respijt en tikt ten laatste 15 juli 2022 op de verzendknop. Online indienen heeft het voordeel dat je tot de deadline nog één keer kunt corrigeren, ook al heb je je aangifte al ingediend. De deadline voor aangifte via een mandataris (boekhouder, accountant, belastingconsulent, …) valt een pak eerder dan vorig jaar, op 30 september 2022. Wie vorig jaar indiende via Tax-on-web, zal dit jaar geen papieren formulier ontvangen. Hetzelfde geldt voor wie een beroep deed op een mandataris, op voorwaarde dat dit mandaat nog altijd loopt.

Er verdwijnen 34 codes uit de aangifte, maar er komen 44 nieuwe codes in de plaats. De Vlaamse aangifte telt dit keer een recordaantal van 839 codes. De nieuwe codes (26) hangen overwegend samen met de coronamaatregelen, waaronder ook de coronapremie voor zelfstandigen (overbruggingsrecht voor zelfstandigen). Verder is het vermeldenswaard dat er een belastingvermindering werd gecreëerd voor wie een laadpaal van een elektrische wagen plaatste (45% op een maximumbedrag van 1.500 euro).[1].

 

 

  1. Zelfstandige journalisten en hun belastingaangifte: beroepsinkomsten, beroepskosten, inkomsten uit auteursrechten en belastingverminderingen

 

Een zelfstandige en iedereen die diverse inkomsten heeft uit occasionele verrichtingen, geeft de beroepsinkomsten en -kosten aan in deel 2 van de belastingaangifte (zie 3 Journalistiek als bijverdienste).

 

2.1 Beroepsinkomsten en -kosten

 

Inkomsten uit je journalistieke activiteit geef je aan in deel 2 van de belastingaangifte, vak XVIII. Deze inkomsten, baten genoemd, vul je in bij nr. 650. Als je je werkelijk gemaakte beroepskosten wil aangeven, vermeld je het totaalbedrag bij nr. 657. Als je opteert voor het kostenforfait, dan vul je niks in. Je kiest natuurlijk wat voor jou het voordeligst is: de forfaitaire beroepskosten of de werkelijke beroepskosten. Voor beoefenaars van vrije beroepen worden de forfaitaire beroepskosten berekend op het bruto bedrag van de baten (na afhouding van de RSVZ-bijdragen).

Uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn, schuif je onder nr. 682 (afzonderlijk belastbaar zijn tegen 16,5%) respectievelijk nr. 683 (gezamenlijk belastbaar) in deel 2 van de belastingaangifte, vak XVIII.

Wel belastbaar als vervangingsinkomsten en dus belast tegen de normale progressieve tarieven, is de eenmalige premie voor bepaalde begunstigden van een COVID-19-overbruggingsrecht (brutobedrag van € 598,81). Dat laatste vul je in bij nr. 309 in deel 1 van de belastingaangifte, vak IV, rubriek D.

 

Na aftrek verkrijg je het netto belastbare inkomen waar de fiscus vervolgens een belastingtarief op toepast, afhankelijk van de inkomensschijf (25% à 50%) waar je beroepsinkomen onder valt.

 

  • Het kostenforfait in de belastingaangifte 2022 (inkomsten 2021):
Inkomstenschijf Kostenforfait
< € 6.250 28,70% (€ 1.793,75)
€ 6.250 tot € 12.430 10% (max. € 618)
€ 12.430 tot € 20.680 5% (max. € 412,5)
> € 20.680 tot € 70.538,16 3% (max. € 1.495,74)

In totaal kun je volgens dit systeem dus € 4.319,99 aftrekken.

 

  • Je kiest voor het systeem van de werkelijke beroepskosten

Om in aanmerking te komen voor de belastingaftrek, moeten de uitgaven aan vier voorwaarden voldoen. Ze moeten verband houden met de journalistieke beroepsactiviteit, gemaakt of betaald zijn in 2021 (het jaar waarin je inkomsten verwerft) en dit om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Tot slot moet je ze kunnen bewijzen. Hierna gaan we in op de vijf belangrijkste categorieën van aftrekbare beroepsuitgaven voor journalisten.

 

 

 

  1. sociale bijdragen

Sociale bijdragen zijn volledig aftrekbaar. Hetzelfde geldt voor VAPZ-bijdragen (Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen), een interessante spaarformule om je pensioen als zelfstandige op te krikken. Zijn geen aftrekbare beroepskost: bijdragen voor de Vlaamse Zorgverzekering en, sinds 1 januari 2020, wettelijke verhogingen van je sociale bijdragen als zelfstandige. Dat laatste word je aangerekend wanneer je je bijdragen niet tijdig betaalt of wanneer blijkt dat je ten onrechte verminderde voorlopige bijdragen betaalde.

 

  1. huisvesting

Kosten verbonden aan het beroepsmatig gebruik van een onroerend goed mag je beschouwen als beroepskosten. Voorbeelden zijn: huur en huurlasten / afschrijving eigendom, verwarming, elektriciteit, gas en water, verzekering gebouw plus inhoud, loon en loonkosten poetshulp en onderhoudsproducten, inrichtingskosten gebouwen (te spreiden over verschillende jaren), kosten voor herstellingen, onroerende voorheffing, intresten op lening aankoop gebouw.

 

 

Als je slechts een gedeelte van je vestiging beroepsmatig gebruikt, dan moet je een opdeling van de benutte ruimte maken. Kosten met betrekking tot het beroepsgedeelte kun je aftrekken, die met betrekking tot het privégedeelte niet. Voor gemengde kosten moet je zelf de verhouding tussen beroep en privé moeten bepalen. Daarover kun je altijd een akkoord sluiten met je controleur. Ook de leningskosten bij hypothecaire lening zijn fiscaal aftrekbaar. De interest die je kunt boeken als kost, bepaal je volgens deze formule:

Betaalde intresten hypothecaire lening x percentage voor beroepsgebruik

 

  1. mobiliteit

Auto

De fiscale aftrekbaarheid van autokosten hangt af van de CO2-uitstoot en het type brandstof van het voertuig. Het aftrekpercentage berekend volgens deze formule

120 % – (0,5 % x CO2-uitstoot x coëfficiënt brandstoftype)

 

De brandstofcoëfficiënt is gelijk aan 1 voor dieselmotoren, 0,90 voor aardgasmotoren (CNG) en een belastbaar vermogen < 12 fiscale pk, en tot slot 0,95 voor andere voertuigen (benzine, lpg, biobrandstof, elektrisch). Het aftrekpercentage bedraagt minimum 50% (40% als de CO2-uitstoot hoger is dan 200) en maximum 100%.

De elektrische wagen mag je tot 100% aftrekken. Brandstofkosten volgen voortaan hetzelfde regime als de autokosten en zijn niet langer standaard 75% aftrekbaar. Opgelet, alle personenwagens aangeschaft vóór 1 januari 2018 behouden het minimum aftrekpercentage van 75%.

 

 

Openbaar vervoer

Openbaar vervoer (abonnementen en losse tickets voor trein, tram, metro of bus) is voor 100% aftrekbaar als beroepskosten.

Fiets

De fiets (zowel de gewone als de elektrische fiets en de speed pedelecs) is voor 100% fiscaal aftrekbaar, zowel voor de aankoop van de fiets zelf (gespreid over minstens drie jaar) als voor de kosten van onderhoud en herstelling. Ook onder het fiscaal voordeel vallen gekoppelde uitgaven zoals de kostprijs voor een fietshelm en fietsverzekering.

Aankoop is overigens niet de enige optie, je kan de fiets ook leasen. In dat geval betaal je maandelijks een vast bedrag, waarin meteen kosten als onderhoud en herstellingen inbegrepen zitten. Fietsleasing is in principe voor 100% fiscaal aftrekbaar.

 

  1. diverse beroepskosten

Volledig aftrekbare kosten zijn:

  • telefoon en internet
  • bureau- en kantoorbenodigdheden
  • honoraria van een fiscaal adviseur, boekhouder, accountant of advocaat
  • opleidingen, studiereizen, buitenlandse congressen en seminaries op voorwaarde dat ze verband houden met de huidige beroepsactiviteit
  • premies verzekering BA uitbating en beroepsaansprakelijkheid[2]
  • premies verzekering gewaarborgd inkomen
  • vakliteratuur
  • VVJ-lidmaatschap

 

Belastingen zijn niet aftrekbaar, maar op deze regel bestaan uitzonderingen. Voor zover het om beroepsgebruik gaat, zijn volgende belastingen wel aftrekbaar: onroerende voorheffing van een (deel van een) onroerend goed dat beroepsmatig wordt gebruikt (zie hoger), de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling, de niet-aftrekbare btw op aankopen enz. Het gaat hier telkens om belastingen die niet het karakter hebben van een inkomstenbelasting. Elke belasting die immers rechtstreeks wordt geheven op de belastbare winst van de onderneming is in beginsel niet als beroepskost aftrekbaar (personenbelasting, aanvullende gemeentebelasting …).

 

  1. afschrijvingen

Heel wat investeringen en aankopen mag je niet volledig als kosten aftrekken, maar moet je spreiden naargelang de economische levensduurte van het goed. Het gaat om grote investeringen die jarenlang meegaan. Denk aan een auto en een computer. Een auto wordt doorgaans op vijf jaar afgeschreven, zodat je dus jaarlijks 20% van de aankoopprijs als beroepskost inbrengt. Voor een computer, software, smartphone of meubilair past men een jaarlijks afschrijvingspercentage van 33% per jaar toe, voor een kantoorgebouw 3%. Raadpleeg je boekhouder voor meer info.

 

Belastingtarieven

Na aftrek van de beroepskosten past de fiscus op het netto-belastbare inkomen een belastingtarief toe dat afhangt van de hoogte van je netto-belastbare inkomen. Zo wordt een inkomen onder de grens van € 13.540 belast aan 25%, de schijf tussen € 13.540 en € 23.900 aan 40% en zo verder. Het totale belastingbedrag is dan de som van de belastingen te betalen voor elke schijf.

 

Belastingschijven voor aanslagjaar 2022, inkomstenjaar 2021

Belastbaar inkomen Basisbelasting
< € 13.540 25%
€ 13.540 tot € 23.900 40%
€ 23.900 tot € 41.360 45%
> € 41.360 50%

 

Dat belastingbedrag wordt vervolgens verminderd met een belastingvrije som (€ 9.050 of meer, afhankelijk van variabelen als kinderen ten laste, alleenstaand ouderschap en zo meer). Het resultaat is de belasting die je werkelijk moet betalen.

 

Casus: de student-zelfstandige

Als student-ondernemer moet je geen belastingen betalen als je totale inkomsten onder de belastingvrije som liggen. Voor het inkomstenjaar 2021 (aanslagjaar 2022) is dat € 9.050. Verdien je meer dan € 9.050, dan betaal je enkel belastingen op je inkomsten boven de grens van € 9.050.

 

2.2 Vergoeding voor de overdracht van auteursrechten

 

Journalisten die auteursrechtelijk beschermd werk maken waarvan de auteursrechten worden overgedragen aan nieuwsmedia, komen in aanmerking om te worden vergoed in auteursrechten. De fiscus beschouwt de vergoeding voor de overdracht van auteursrechten tot € 62.550 als roerende inkomsten. Het bedrag boven die grens krijgt de kwalificatie van beroepsinkomsten en wordt belast tegen het progressieve belastingtarief (zie hoger). In de praktijk zijn het vooral zelfstandige journalisten die aanspraak maken op een auteursvergoeding, maar in theorie kunnen ook loontrekkenden een auteursvergoeding krijgen. In het laatste geval moet je de auteursvergoeding aangeven bij nr. 250 (deel 1, vak IV, rubriek A) en de roerende voorheffing die de werkgever afhoudt van het bedrag en doorgestort naar de fiscus, onder rubriek M, bij nr. 299. In het kader van een zelfstandige samenwerking geef je de verdiende auteursrechten aan in rubriek D (deel 1, vak VII). Bruto-inkomsten uit auteursrechten vermeld je in deel 1, vak VII, rubriek D, bij nr. 117, forfaitaire of werkelijke kosten bij nr. 118 en de ingehouden roerende voorheffing bij nr. 119.

Sinds vijf jaar hebben de VVJ en de Vlaamse uitgevers een akkoord met de fiscus dat freelancejournalisten de helft van de vergoedingen die ze van uitgevers krijgen, als auteursrechtelijke inkomsten mogen aangeven, die dus onder het fiscale voordeelregime vallen. De andere helft zijn dan gewone beroepsinkomsten. Intussen ontving de VVJ de bevestiging dat de ruling werd verlengd voor de komende vijf jaar.

Opgelet: zuiver auteursrechtelijke inkomsten die je van de JAM of SOFAM ontvangt, genieten wel degelijk volledige van het fiscale voordeelregime.

Je bent sowieso verplicht om inkomsten uit auteursrechten aan te geven, ook al stortte de opdrachtgever de roerende voorheffing keurig door naar de fiscus. De roerende voorheffing wordt berekend op het brutobedrag, na aftrek van de forfaitaire kosten die op deze inkomsten van toepassing zijn.

 

Voor het inkomstenjaar 2021 (aanslagjaar 2022)

Auteursrechten Forfaitaire kosten Belastbaar Roerende voorheffing
€ 0 – € 16.680 50% € 16.680 – € 8.340 15% (€ 1.251)
€ 16.680 – € 33.360 25% € 16.680 – € 4.170 15% (€ 1.876,5)
€ 33.360 – € 62.550 0% € 29.190 15% (= € 4.378,5)
 >  € 62.550 Géén roerende voorheffing, progressieve inkomstenbelasting (tussen 25 en 50%)

 

2.3 Belastingverminderingen en de rechtsbijstandsverzekering

 

Belastingverminderingen zijn uitgaven die worden afgetrokken van de belastingen die je moet betalen. De lijst is lang[3], hier focussen we enkel op de rechtsbijstandsverzekering[4]. Aangezien het om een federale belastingvermindering gaat, begint het nummer ervan in de aangifte met een 1 (een 2 in de rechterkolom).

Een rechtsbijstandsverzekeraar neemt het op voor je wanneer een gebeurtenis aanleiding heeft gegeven tot een situatie waardoor je schade hebt geleden of schade hebt veroorzaakt. Je kunt erbij terecht om informatie in te winnen over je rechten. Daarnaast neemt een rechtsbijstandsverzekering de kosten van de verdediging op zich, ongeacht of je nu in het gelijk wordt gesteld of niet. Niet onbelangrijk want de kosten van een juridisch geschil kunnen aardig oplopen.

Sinds 2019 geeft je rechtsbijstandsverzekering recht op belastingvermindering. Niet om het even welke rechtsbijstandsverzekering evenwel. Raadpleeg my MINFIN voor meer info over de voorwaarden.[5] Je kan maximaal 310 euro aangeven voor betaalde premies (aanslagjaren 2022 en 2023). . De belastingvermindering bedraagt 40 % van het aangegeven bedrag, wat het maximale voordeel op € 124 brengt. Tot slot mag je de premie niet tegelijk aftrekken als beroepskost. Het concrete premiebedrag vind je op het fiscaal attest van de verzekeraar en vul je in bij nr. 344 (deel 1, vak X, II, rubriek I).

 

  1. Journalistiek als bijverdienste

 

3.1 Inkomsten uit occasionele prestaties

 

Van occasionele prestaties is sprake als ze niet in het verlengde liggen van je hoofdberoep en geen regelmaat vertonen. Tegelijk mag je geen aanzienlijke investeringen of financieringen doen. Denk aan een zelfstandige journalist die eenmalig eens ergens een lezing geeft. Of een docent die maar heel af en toe een stuk schrijft voor een krant. De fiscus bekijkt dergelijke prestaties geval per geval. Hij heeft daarbij niet het laatste woord, een meningsverschil kun je voorleggen aan de rechter. Als je niet voldoet aan de voorwaarden, dringt zich een ander statuut op, zoals dat van zelfstandige in bijberoep. In het verleden werd een journalist die af en toe opdrachten deed voor een andere uitgever, teruggefloten omdat die prestaties duidelijk verband hielden met zijn beroepsactiviteit. Ook wanneer de prestaties te regelmatig worden, dreigt dat verdict.

Inkomsten uit occasionele verrichtingen geef je aan in deel 2 (Diverse inkomsten), vak XV, bij nr. 200 (rubriek B.2.b). Heb je kosten gemaakt bij het leveren van deze prestatie, dan vul je het totaalbedrag daarvan in bij nr. 201. De fiscus houdt alleen rekening met werkelijke kosten. Forfaitaire raming is echter mogelijk, maar blijf redelijk. Bewaar zoals altijd alle bewijsstukken. Wie voldoet aan de voorwaarden van occasionele prestaties, doet daar zeker zijn voordeel mee, want de netto-inkomsten worden belast aan 33%.

 

3.2 Inkomsten als zelfstandige in bijberoep

 

Als prestaties niet langer occasioneel zijn, dan beschouwt de fiscus de inkomsten eruit als beroepsinkomsten. Deze beroepsinkomsten worden dan geteld bij je andere beroepsinkomsten. Vul in vak XIV alvast de aard van je bijberoep in en je ondernemingsnummer. Inkomsten uit journalistieke activiteiten geef je aan in vak XVIII. Deze inkomsten, baten genoemd, en eventuele voordelen van alle aard geef je aan nr. 650 en bij nr. 668. Als je kosten hebt gemaakt, vermeld je het totaalbedrag bij nr. 657 (cf. werkelijke beroepskosten). Als je opteert voor het kostenforfait (zie hoger voor de bedragen), dan vul je niks in. Ook bij sociale bijdragen (nr. 656) hoef je niks te vermelden, als journalist in bijberoep geniet je immers een wettelijke vrijstelling.

Hou ook rekening met de mogelijkheid je auteursrechtelijke vergoedingen aan te geven onder dat specifieke, voordelige fiscale statuut (zie hoger).

 

Vragen i.v.m. de belastingaangifte?

Mail naar Charlotte Michils of Pol Deltour via info@journalist.be.

[1] Concreet geldt de belastingvermindering voor wie vanaf 1 september 2021 en voor eind 2022 betaalde voor de aankoop, plaatsing en keuring van een vast laadstation.

[2] De VVJ biedt leden de mogelijkheid aan om in te tekenen op een gunstige collectieve polis. Check de voorwaarden op https://journalist.be/verzekeringen/beroepsaansprakelijkheid.

[3] Denk ook aan de hoger aangehaalde belastingvermindering die in het leven geroepen werd voor wie een laadpaal van een elektrische wagen plaatste (45% op een maximumbedrag van 1.500 euro).

[4] Opgelet, het gaat hier niet om een rechtsbijstandverzekering die accessoir is aan een andere verzekering, zoals bij de VVJ-groepspolis BA beroep en uitbating. Voor meer info zie https://journalist.be/verzekeringen/beroepsaansprakelijkheid

[5] https://eservices.minfin.fgov.be/myminfin-web/pages/public/fisconet/document/bc8dc705-ee0f-4725-9a05-fe47bbd14a04#_2._Vanaf_wanneer