Actuele pijnpunten in de verhouding pers/gerecht – AVBB gaat in overleg met Justitie

Huiszoekingen bij journalisten. Een VRT-collega die wordt veroordeeld voor berichtgeving over een strafonderzoek. Gerechtelijke uitspraken die zwaar inzetten op privacy maar daardoor tekort doen aan het recht op informatie. Naar aanleiding van enkele actuele pijnpunten in de verhouding tussen pers en justitie bezorgde de AVBB (VVJ-AJP) een nota met bekommernissen aan de minister van Justitie, die overleg beloofde.

 

 

 

 

Nota aan de minister van Justitie

betreffende enkele negatieve ontwikkelingen in de verhouding pers – gerecht en mogelijkheden om daaraan te verhelpen

 

ter kennisgeving aan

het College van de hoven en rechtbanken

het College van procureurs-generaal

de Vereniging van onderzoeksrechters

 

 

19 mei 2021

 

Geachte heer minister van Justitie,

 

De voorbije paar decennia werden al bij al gekenmerkt door behoorlijke werkverhoudingen tussen pers en gerecht. In het algemeen erkenden beide actoren – allebei cruciaal voor een democratische rechtsstaat – elkaars eigenheid en finaliteit. Het contrast met de tumultueuze jaren ’90 van vorige eeuw, toen journalistiek en justitie meer dan eens op ramkoers lagen met elkaar, is reëel. Dat heeft onder meer te maken met de betere communicatie vanwege justitie, met name in de persoon van parketwoordvoerders en persrechters (een positief uitvloeisel van de zaak-Dutroux, die een grote vertrouwenscrisis ten aanzien van justitie had blootgelegd). Ook de wet ter bescherming van het journalistieke bronnengeheim uit 2005 zorgde voor een appeasement in het spanningsveld tussen pers en gerecht.

Niettemin baren enkele recente ontwikkelingen ons grote zorgen.

Op 6 mei jl. gelastte het Limburgse gerecht een huiszoeking bij een journalist verbonden aan de lokale Truiense nieuwssite TRUDOCS – huiszoeking die flagrant in strijd is met de vermelde journalistieke bronnenwet uit 2005.

Nauwelijks een week later, op 10 mei, veroordeelde de correctionele rechtbank van Brugge een VRT-journalist tot 4 maand cel met uitstel wegens mededaderschap aan misbruik van het inzagerecht in een strafonderzoeksdossier (artikel 460ter Sw.).

Beide incidenten situeren zich in een groeiende anti-journalistieke sfeer bij een deel van justitie, inclusief sommige advocaten. Zij storen zich aan naar hun mening te grote of ongepaste aandacht vanwege nieuwsmedia voor justitie, en gewagen daarbij zelfs van zogenaamde trial by media.

Als beroepsunie wensen wij niettemin te herhalen dat ook persvrijheid een fundamentele pijler is van ware democratie. Dat moet de mogelijkheid inhouden om ook vrij van ongepaste gerechtelijke druk informatie te garen en het publiek te informeren. Meer specifiek omvat persvrijheid ook de mogelijkheid om het gerechtelijke gebeuren op de voet te volgen en er zo nodig kritisch over te berichten.

Dit komt welteverstaan niet neer op een absolute, onbelemmerde vrijheid. Als beroepsvereniging staan wij sinds jaar en dag voor een vrijheid-met-verantwoordelijkheid. Alleen is het in een democratische rechtsstaat passend dat de nieuwsmediasector die verantwoordelijkheid primair zelf vorm geeft, wat bij ons ook het geval is met Vlaamse en Franstalige sectorale codes en raden voor deontologie (www.rvdj.be, www.lecdj.be). Hoe dan ook is deze zelfregulering te verkiezen boven gerechtelijke repressie, die behalve de direct getroffen journalist via een chilling effect tevens de volledige nieuwsmediasector treft.

Hierna gaan we meer in detail in op de actuele pijnpunten in de verhouding pers-gerecht en stellen we mogelijke uitwegen voor.

In de afdelingen 1 en 2 behandelen we het luik van de journalistieke informatiegaring, met voorop het journalistieke bronnengeheim (dat voor alle journalistiek van cruciaal belang is) en vervolgens de openbaarheid van processen en gerechtelijke uitspraken (dat specifiek de gerechtsjournalistiek betreft). Deel 3 wijst op het problematische karakter van (oude en nieuwe) stafbaarstellingen voor journalistiek werk. In delen 4 en 5 wordt ingegaan op de mogelijke sanctioneringsmechanismen jegens nieuwsmedia en journalisten – zowel voor als na een publicatie of uitzending – en de uitdagingen op dit vlak.

 

  1. De wet van 2005 ter bescherming van het journalistieke bronnengeheim

 

Deze wet verleent journalisten een verregaande bescherming van hun vertrouwelijke contacten. Het beroepsethische uitgangspunt is wel degelijk dat een journalist transparant is en ook over zijn bronnen open kaart speelt. Toch kan een informatiebron om allerlei redenen worden genoodzaakt om informeel, vertrouwelijk, off the record te communiceren (vrees voor een afrekening, voor ontslag, voor zijn veiligheid…). In dat geval heeft de journalist de deontologische plicht om zijn bron te beschermen (artikel 19 Code van de Raad voor de Journalistiek). In 2005, na enkele veroordelingen van de Belgische Staat door het EHRM voor miskenning van het journalistieke bronnengeheim, werd deze deontologische plicht ‘gelegitimeerd’ in de vorm van een wettelijk journalistiek recht op bronnenbescherming. Sindsdien geldt de Belgische wet van 7 april 2005 wereldwijd als een schoolvoorbeeld voor de bescherming van vertrouwelijke communicatie tussen een informatiebron en een journalist.

De wet verbiedt justitie en politie om nog langer druk uit te oefenen op journalisten die hun vertrouwelijke bronnen willen beschermen. Ook huiszoekingen, inbeslagnames van werkmateriaal (en a fortiori het uitlezen ervan) en telefoontaps bij journalisten zijn formeel verboden. Enkel om te voorkomen dat personen in hun fysieke integriteit worden aangetast, kan justitie, in de persoon van een onderzoeksmagistraat, het journalistieke bronnengeheim doorbreken. De gezochte info moet dan wel cruciaal zijn voor het onderzoek en bovendien moet het doorbreken van het journalistieke bronnengeheim de enige mogelijkheid zijn voor justitie om aan de gezochte info te geraken.

Desondanks werd onlangs een journalist onderworpen aan een huiszoeking nadat hij had bericht over de voortijdige coronavaccinatie van een burgemeester en haar entourage. Die informatie bleek overigens geheel correct, ze werd nadien bevestigd (bekend) door betrokkene. Ook in de zaak van de zopas veroordeelde VRT-journalist was er een huiszoeking, gevolgd door een arrestatie en inbeslagneming van werkmateriaal. Dit bronnenonderzoek lag mee aan de basis van de strafklacht en nu ook de veroordeling van de journalist. In beide gevallen gaat het om duidelijke miskenningen van de wet van 2005, die niet voor herhaling vatbaar zijn.

De VVJ/AVBB stelt volgende pistes voor om de wet van 2005 de rechtskracht te geven die ze verdient.

 

1.1 Betere communicatie van de wet bij justitie

We kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat de journalistieke bronnenwet nog altijd te weinig gekend is door de actoren van justitie, parketmagistraten en onderzoeksrechters om te beginnen. Mogelijk verklaart dat waarom sommigen de wet zo flagrant met de voeten treden.

We dringen er dan ook opnieuw op aan dat justitie werk maakt van een betere bekendmaking van de wet bij haar functionarissen. Ook de politiediensten hebben hier een verantwoordelijkheid op te nemen. De Bronnenwet van 2005 moet deel uitmaken van het basispakket aan vorming dat justitie- en politiefunctionarissen krijgen.

 

1.2 Sluiten van alle achterpoortjes in de wet

De Bronnenwet bepaalt in artikel 6 dat journalisten die zich beroepen op hun bronnengeheim niet kunnen worden vervolgd voor heling (artikel 505 Sw.). In artikel 7 heet het dat ze evenmin kunnen worden vervolgd voor medeplichtigheid (artikel 67 Sw.) aan de schending van het beroepsgeheim door een derde (artikel 458 Sw.). Deze dubbele ‘immuniteit’ is ingegeven door vervolgingen die zich in vroeger jaren effectief hebben voorgedaan, en ze dient om justitie te beletten via de achterpoort van een dergelijke vervolging alsnog door te breken naar de bronnen van een journalist.

Sinds enige tijd gebruikt justitie een andere achterpoort: de vervolging van journalisten voor deelneming aan het misbruik van inzagerecht in een strafonderzoeksdossier (artikel 460ter Sw.). Onder meer in de recente zaak tegen een VRT-journalist was dat het geval. Verder in deze nota gaan we uitvoeriger op deze incriminatie in. Hier past alvast het voorstel om dit soort vervolging via een bijkomend artikel in de Bronnenwet toe te voegen aan de twee huidige strafrechtelijke immuniteiten waarover journalisten beschikken wanneer ze hun bronnen willen beschermen.

 

1.3 Gerechtelijke onderzoeksdaden buiten een journalistieke context

Journalisten staan in het algemeen niet boven de wet. Steeds kunnen zij worden vervolgd voor zaken die los staan van hun journalistieke werk – van een verkeersovertreding tot een moord. Toch mag redelijkerwijs worden verwacht dat gerechtelijke onderzoekshandelingen in dit verband rekening blijven houden met het journalistieke bronnengeheim.

Daarom vraagt de AVBB bij dergelijke onderzoeken (die dus losstaan van bronnenonderzoek, dat formeel verboden is en blijft) de invoering van extra waarborgen. Te denken valt aan de verplichte aanwezigheid van een mandataris van de beroepsvereniging AVBB (VVJ-AJP) bij een huiszoeking of aanhouding. Voor advocaten bijvoorbeeld speelt de stafhouder deze rol, en let hij erop dat het beroepsgeheim niet wordt geschonden. Bij een recent huisbezoek aan een journalist in Brugge nodigde het Federaal parket alvast een VVJ-mandataris uit om daarbij aanwezig te zijn – een initiatief dat tot voorbeeld strekt.

 

1.4 Sancties op overtredingen

De wet van 2005 bevat geen sancties voor overtredingen. De AVBB dringt hier al langer op aan.

Een mogelijkheid is de opneming in de wet van een uitdrukkelijke bepaling dat alle informatie die met miskenning van het journalistieke bronnengeheim wordt verkregen, nietig is en dus generlei kan worden gebruikt in verdere procedures.

Ook tuchtrechtelijk kunnen en moeten wetsovertredingen zoals deze worden aangepakt.

Verder moeten journalisten van wie het bronnengeheim door justitie of politie wordt geschonden, vlot en efficiënt worden schadeloos gesteld voor alle geleden nadeel.

 

1.5 Aandacht voor positie klokkenluiders

Een belangrijke categorie van vertrouwelijke informatiebronnen zijn de zogenaamde klokkenluiders. In ons land zijn momenteel regelingen voor de bescherming van klokkenluiders van kracht voor federale en Vlaamse ambtenaren en voor de private financiële sector (een voor de melding van financiële inbreuken, een andere voor de melding van witwaspraktijken en financiering van terrorisme).

Een Europese richtlijn verplicht nu ook tot klokkenluidersbescherming voor inbreuken op Europese regelgeving. Uiterlijk eind dit jaar moet de richtlijn in Belgische wetgeving zijn omgezet. Overigens kan ons land op enkele punten gerust nog verder gaan dan de EU-regeling bepaalt. De AVBB gaat hierover graag in verder overleg met de Belgische wetgever.

 

 

  1. Openbaarheid rechtszaken en gerechtelijke uitspraken

 

Specifiek in de sfeer van de gerechtsjournalistiek willen we nog een ander actueel thema onder de aandacht brengen: dat van de openbaarheid van rechtszaken en gerechtelijke uitspraken.

Wat de toegankelijkheid van processen voor de pers (en ook het publiek in de brede zin) betreft, heeft de coronacrisis serieus roet in het eten gegooid. In het ergste geval bleken rechtszaken door te gaan zonder dat zelfs journalisten de rechtszaal in mochten. Bij verscheidene processen werd de aanwezigheid van de pers via verplichte poolvorming beperkt (wat hoe dan ook pluralistische berichtgeving in de weg staat). Deze praktijken mogen nooit een nieuw normaal worden. Een groot voordeel van het wettelijke erkenningssysteem voor beroepsjournalisten en de officiële perskaart die daarbij hoort, is dat justitie makkelijk hierop kan voortgaan om reguliere nieuwsmedia zonder onderscheid de toegang tot rechtszaken te geven die in een democratische rechtsstaat van vitaal belang is.

Op het vlak van actieve communicatie vanwege justitie zijn de voorbije decennia mooie stappen vooruit gezet. Parketwoordvoerders en persrechters zijn in regel beschikbaar voor journalisten – ook al is dat bijlange niet overal en altijd het geval. Een bijzondere vermelding verdient het communicatiewerk van eremagistraat Eric Beaucourt aan een e-groep van geaccrediteerde beroepsjournalisten in het kader van het College van Hoven en Rechtbanken.

Niettemin zijn er ook pijnpunten.

 

2.1 Aankondiging vooraf

Nog steeds wordt er te weinig vooraf gecommuniceerd over komende rechtszaken. Te vaak wordt de inzage van rollen of dagvaardingen ook belet met verwijzing naar de GDPR(-wet). We wensen niettemin uitdrukkelijk te wijzen op de journalistieke vrijstellingen ten behoeve van de informatie aan het publiek die in deze wetgeving zijn opgenomen. Bovendien hanteren de Belgische nieuwsmedia en journalisten een krachtige eigen beroepsethiek op het stuk van respect voor de privacy en anonimisering.

 

2.2 Communicatie uitspraken

De wet van 5 mei 2019 heeft rechtscolleges enkel nog verplicht om hun beslissingen voor te lezen op de openbare terechtzitting, niet langer de motivering dus. Hoe dan ook vormt dat een beperking van de openbaarheid van de rechtspraak.

Bij talloze processen botsen gerechtsjournalisten bovendien op de onmogelijkheid om vlak na de uitspraak de uitgeschreven tekst daarvan te verkrijgen. Dat bemoeilijkt een correcte verslaggeving. Als er dan teksten ter beschikking worden gesteld, blijken die bovendien volledig te zijn geanonimiseerd. Ook dat komt een goede berichtgeving niet ten goede. Overigens bevat de eigen journalistieke beroepsethiek, zoals reeds aangehaald, diverse bepalingen die de privacy en andere persoonsrechten van particulieren beschermen.

 

2.3 Databank uitspraken

De wet van 2019 stelt eveneens een nationale databank met alle vonnissen en arresten in het vooruitzicht, databank die voor het brede publiek (inclusief journalisten uiteraard) toegankelijk zal zijn. Op zich is dat een positieve ontwikkeling.

Niettemin zouden – in lijn met de huidige praktijk – alle gepubliceerde gerechtelijke uitspraken volledig worden geanonimiseerd. Namen van procespartijen, andere betrokkenen en ook magistraten zouden worden geschrapt. Het daarmee gepaard gaande risico op onjuiste gerechtsverslaggeving dreigt daarmee te worden bestendigd. Bovendien maakt zo’n radicale anonimisering talloze gerichte opzoekingen in de databank onmogelijk, niet enkel voor journalistiek maar ook voor wetenschappelijk gebruik. We herhalen bovendien dat de journalistieke beroepsethiek eigen en performante waarborgen inhoudt voor de privacybescherming van alle bij een rechtszaak betrokken actoren.

 

 

  1. Opletten met incriminaties

 

Met het complexer worden van de samenleving neemt ook de overheidsdrang tot regulering toe. Op zich hebben die wetgevingen, waaronder ook nieuwe strafbaarstellingen, ongetwijfeld hun verdienste, maar herhaaldelijk blijken ze ook risico’s in te houden voor reguliere journalistiek. Hierna bespreken we enkele acute gevallen.

 

      3.1  Journalistiek en (deelneming aan) misbruik van het inzagerecht in een strafonderzoeksdossier

Artikel 460ter Sw. stelt strafbaar: het gebruik van informatie verkregen bij de inzage van een strafonderzoeksdossier met het doel en als gevolg het hinderen van het strafonderzoek of het schenden van de privacy, de (fysieke dan wel morele) integriteit of de goederen van iemand die in het dossier voorkomt. Met die bepaling wilde de wetgever misbruik van het inzagerecht door procespartijen – het weze slachtoffers/burgerlijke partijen, het weze verdachten – tegengaan.

In de zaak-Aerts wordt via de gekunstelde incriminatie ‘mededaderschap aan het misbruik van inzagerecht’ nu ook een journalist vervolgd en veroordeeld voor schending van artikel 460ter Sw.

Ook de toepassing as such van het artikel op de journalist roept grote vragen op. De enige bedoeling van de journalist en de omringende VRT-redactie was om hun publiek te informeren over een wel degelijk maatschappelijk relevant facet van de Kasteelmoordzaak, te weten de informele contacten tussen procespartijen, advocaten en magistraten, met mogelijk een bepalende impact op het verloop van het onderzoek. Nooit was er daarbij – niettegenstaande de lichtzinnige bewering in het Brugse vonnis van 10 mei – sprake van enig doel om het onderzoek naar de Kasteelmoord te hinderen, laat staan dat dit het gevolg van de berichtgeving zou zijn geweest. Evenmin had de journalist ooit tot doel de privacy of integriteit van wie dan ook aan te tasten. Mogelijk is dat wel een feitelijk effect van berichtgeving – welke journalist heeft nooit eens iemand ongewild het leven zuur gemaakt? – maar nooit kan dit zomaar als de intentie van de journalist worden beschouwd.

Wat hier gekwalificeerd wordt als deelneming aan het misbruik van inzagerecht in een strafdossier, is in wezen niets anders dan het journalistiek gebruikmaken van (zij het gelekte) gerechtelijke informatie.

Samen met de journalist en de VRT rekent de AVBB/VVJ erop dat het Gentse hof van beroep het Brugse vonnis bijstuurt.

In afwachting stellen we de wetgever voor alvast een aanpassing van artikel 460ter Sw. te overwegen. Die kan inhouden dat de toepassing van de bepaling nooit ten koste mag gaan van de vrijheid van informatie, alvast zoals die wordt ingevuld door professionele en beroepsethisch verantwoordelijke nieuwsmedia en journalisten. Zie voor een model de ‘journalistieke vrijstellingen’ die zijn opgenomen in de GDPR-wet van 30 juli 2018 (cfr. infra).

Deze verfijning zou ook kunnen gebeuren in de vorm van een extra artikel in de Journalistieke Bronnenwet van 7 april 2005 (zie hoger). Maar omdat dit een beperktere draagwijdte zou hebben, valt voor ons een aanpassing van artikel 460ter Sw. zelf te verkiezen.

 

      3.2  Journalistiek en ‘technische communicatiemisdrijven’

Een andere onrustwekkende tendens betreft het gemak waarmee justitie ongepast bevonden informatie kwalificeert als inbreuken op telecomwetgeving.

Ook bij de veroordeling van VRT-journalist is dat het geval: die betreft tevens een inbreuk op artikel 314bis, § 2 Sw. Volgens die bepaling is strafbaar: het bijhouden of verspreiden van onwettig verkregen private communicatie, dan wel het bedrieglijk gebruik van wettig verkregen private communicatie.

In een andere zaak werd een strafvervolging ingesteld tegen een medium voor ‘elektronische belaging’.

Het lijdt geen twijfel dat, als dergelijke praktijken school maken, journalisten systematisch kunnen worden vervolgd.

Zoals voor artikel 460ter Sw, dringt de AVBB/VVJ dan ook aan op de nodige buffers tegen ongepaste vervolgingen en veroordelingen van journalisten op dit vlak. Dit kan opnieuw gebeuren via de formulering dat de toepassing van kwestieuze strafbepalingen nooit ten koste mag gaan van de vrijheid van informatie, alvast zoals die wordt ingevuld door professionele en beroepsethisch verantwoordelijke nieuwsmedia en journalisten (zie hierna voor een omschrijving).

 

    3.3 Journalistiek en hatespeech

Enigszins verwant met de voorgaande punten 3.1 en 3.2, is het actuele debat over een efficiëntere aanpak van haatspraak. Hiertoe zijn in het parlement voorstellen ingediend, in het bijzonder gericht op een herziening van artikel 150 Grondwet op het hof van assisen. Behalve aanzetten tot racisme, zouden zo ook seksisme en andere uitlokkingen van discriminatie in het algemeen worden ‘gecorrectionaliseerd’.

Parallel met wat we hoger aanhaalden, dringen we er op aan dat deze doorgedreven incriminaties niet ten koste gaan van reguliere journalistiek. Professionele nieuwsmedia en journalisten mogen geen ongepaste collatoral damage ondervinden van de op zich nobele politieke betrachting om haatspraak efficiënter te beteugelen.

Voor een uitgebreidere analyse van dit thema verwijzen we naar onze nota ter kennis gebracht van de Kamercommissie voor de Grondwetsherziening op 28 april jl.

 

Naar een omschrijving van ‘journalistieke vrijstellingen’

Een mooi model voor de wettelijke bescherming van journalistiek werk vormt de wet van 30 juli 2018 op de invoering van de GDPR en houdende vrijstellingen voor journalisten ter zake. Het gaat om vrijstellingen van de algemene GDPR-verplichtingen inzake mededeling van een informatieverwerking, voorafgaande toelating voor een informatieverwerking, schrapping op aanvraag van verwerkte informatie en dies meer – allemaal verplichtingen die elk normaal journalistiek onmogelijk zouden maken.

De wet van 2018 behoudt deze vrijstellingen voor aan journalistiek voor zover die de journalistieke beroepsethiek erkent. Artikel 24 van de wet heeft het letterlijk over het informeren van het publiek met behulp van media en ‘waarbij de verwerkingsverantwoordelijke zich de naleving van journalistieke deontologische regels tot taak stelt’. In de toelichting bij de wet wordt expliciet verwezen naar de Raad voor de Journalistiek (NL) / Conseil de Déontologie Journalistique (FR) en hun respectievelijke Codes (zie www.rvdj.be en www.lecdj.be). Die regeling verdient ongetwijfeld navolging.

(Daarmee is overigens niet gezegd dat de wettelijk bepaalde GDPR-vrijstellingen voor journalistiek werk optimaal functioneren. Nogal wat particulieren zetten met verwijzing naar de GDPR-wetgeving druk op redacties om informatie te wissen of naar hun hand te zetten. Dat levert soms bijzonder lastige discussies op. Staatssecretaris voor Digitalisering Mathieu Michel is op dit ogenblik bezig aan een evaluatie van de betreffende wet van 30 juli 2018. De AVBB zal aan de staatssecretaris haar bekommernissen overmaken.)

 

 

  1. Geen voorafgaande overheidscensuur?

 

Artikel 25 Grondwet is duidelijk: ‘de drukpers is vrij, censuur kan nooit worden ingevoerd’. Of: overheden kunnen nooit vooraf tegengaan dat informatie wordt verspreid (wat sanctionering van illegale informatie achteraf niet uitsluit – zie hierover punt 5 van deze nota).

Toch is er vandaag nog altijd rechtspraak in kort geding – soms zelfs op eenzijdig verzoekschrift – die publicatie- of uitzendverboden oplegt. Vanuit het perspectief van de persvrijheid, zoals bepaald in artikel 25 GW, gaat het om een onaanvaardbare praktijk.

Ofwel de grondwetgever, ofwel de wetgever, ofwel de hoogste rechtscolleges zouden ter zake eens klare wijn moeten schenken. Dat kan door het kort geding uitdrukkelijk uit te sluiten voor informatiemedia of door het te koppelen aan specifieke waarborgen voor hen.

De kwestie is extra acuut nu het parlement (in het bijzonder de Kamercommissie voor de Grondwet en Institutionele vernieuwing) zich over een wijziging van artikel 25 GW buigt. Het begrip ‘pers’ zou worden vervangen door ‘informatiemedia’ in het algemeen. Op die manier zouden (bestuurlijke of gerechtelijke) overheden ook audiovisuele informatieprogramma’s en online publicaties niet langer preventief kunnen tegenhouden. Volgens rechtspraak van het Hof van Cassatie vallen audiovisuele media niet onder het verbod van voorafgaande overheidscensuur en kunnen ze dus wel degelijk aan uitzendverboden worden onderworpen, omdat het formeel niet over ‘(druk)pers’ gaat. Die zienswijze is intussen wel door het EHRM in Straatsburg gesanctioneerd, maar het best krijgt dit nu ook een vervolg in de Grondwet.

De vraag blijft niettemin hoe dit verspreidingsverbod voor audiovisuele en online media wordt ingevuld. Volgens vaststaande rechtspraak kan een gedrukte publicatie uit circulatie worden genomen vanaf een zekere, ‘voldoende begin van’ verspreiding. Maar hoe zit dat met een omroepprogramma? En hoe zit dat met een internetpublicatie? Volstaat het dat iets pakweg 1 minuut wordt uitgezonden of online gepubliceerd om overheidscensuur toch toe te laten? Is mogelijk het aantal kijkers of bezoekers van de site relevant? Om (de naar verwachting talloze) discussies ter zake te vermijden, verdient het aanbeveling de regeling vooraf verder uit te diepen.

 

 

  1. Berechting van mediamisdrijven

 

Persmisdrijven – in de zin van onrechtmatig bevonden informatie zoals laster en eerroof, en niet veeleer ‘technische’ misdrijven zoals die hoger vermeld sub 3 – worden volgens artikel 150 GW door het hof van assisen berecht. Het gaat om een voorrecht voor de pers en voor journalisten in het bijzonder (die ingevolge de getrapte aansprakelijkheid in artikel 25 lid 2 GW immers de primaire en exclusieve aansprakelijke zijn voor vervolgde persmisdrijven): niet beroepsrechters, wel een volksjury oordeelt of er van een persmisdrijf sprake is. Zoals bekend komt dit feitelijk neer op een quasi-immuniteit voor vervolging.

De AVBB steunt het voorstel tot herziening van artikel 150 GW om de notie ‘drukpersmisdrijven’ te vervangen door ‘(informatie)mediamisdrijven’. Het gaat om een logisch uitvloeisel van de uitbreiding van het concept ‘persvrijheid’ tot ‘vrijheid van informatiemedia’ in artikel 25 GW.

De AVBB vraagt het behoud van deze regeling zolang mogelijk onrechtmatige publicaties zoals laster en eerroof strafrechtelijke concepten blijven. Een afschaffing van het hof van assisen kan voor ons met andere woorden slechts na een depenalisering van laster, eerroof en verwanten. Ten allen prijze moet worden voorkomen dat deze persmisdrijven worden ‘gecorrectionaliseerd’, wat journalisten al te kwetsbaar zou maken voor ongepaste vervolgingen en strafrechtelijke veroordelingen.

Intussen stellen we een groeiende politieke consensus vast om specifieke categorieën van persmisdrijven (verder) te correctionaliseren. Behalve via media aanzetten tot racisme (dat nu al aan de rechtsmacht van assisen is onttrokken, zie artikel 150 GW), zouden ook seksisme en aanzetten tot haat, geweld of discriminatie in het algemeen aan de correctionele rechtbanken worden toevertrouwd (en aldus effectief worden vervolgd, berecht en veroordeeld). Hoger, in afdeling 3, pleiten we al voor grote omzichtigheid dienaangaande met betrekking tot reguliere nieuwsmedia en journalisten (zie ook de AVBB-nota ingediend op 28 april 2021 bij de Kamercommissie voor de Grondwet en Institutionele vernieuwing naar aanleiding van een voorstel tot herziening van de artikelen 25 en 150 GW).

 

Of mediafouten nu strafrechtelijk dan wel burgerrechtelijk worden aangepakt, relevant is de vraag of de betrokken nieuwsmedia en journalisten geen aanspraak moeten kunnen maken op extra waarborgen, gelet op hun bijzondere positie in een democratische rechtsstaat en hun delicate verhoudingen met andere maatschappelijke actoren, over wie ze worden verondersteld steeds kritisch te berichten.

Concreet schuiven we volgende pistes naar voren:

  • Anti-SLAPP-maatregelen. SLAPP (strategic lauwsuits against public participation) komt ook bij ons voor, zij het tot dusver niet in de mate waarin media en geëngageerde middenveldorganisaties er elders mee te maken krijgen. Op Europees niveau wordt op dit ogenblik aan een anti-SLAPP-pakket gewerkt, dat zowel juridische als andere maatregelen inhoudt. Zo zit er een anti-SLAPP-richtlijn in de pijplijn met als finaliteit intimiderende en ongegronde rechtszaken in een vroeg stadium van de procedure te identificeren en af te voeren. De AVBB rekent erop dat de Belgische overheid dit beleid ondersteunt en straks ook verder uitvoert.

 

  • In burgerlijke procedures tegen journalisten en nieuwsmedia kan een advies van het openbaar ministerie worden ingevoerd, als faciliteit of als verplichting, zij het zonder een dwingend inhoudelijk karakter.

 

  • Ook de raadpleging van de journalistieke beroepsgroep (in de gedaante van de Raad voor de Journalistiek) over de aangevochten journalistieke handelswijze kan worden overwogen, als mogelijkheid of als verplichting, maar opnieuw zonder inhoudelijk dwingend te zijn.

 

 

AVBB – Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België

VVJ – Vlaamse Vereniging van Journalisten

AJP – Association des Journalistes Professionnels

 

Zennestraat 21 – 1000 Brussel

www.journalist.be

info@journalist.be

 

Contact:

Pol Deltour, nationaal secretaris VVJ/AVBB – pol.deltour@journalist.be