Een eeuw geleden werd ook de pers bevrijd

Wapenstilstand 1918 betekende ook voor de pers een bevrijding. Van de kranten die waren verdwenen of bleven verschijnen onder Duitse censuur, kenden er vele een doorstart. Bladen die hadden gecollaboreerd werden verboden, hun uitgevers en journalisten veroordeeld. Maar in het algemeen hadden de Belgische journalisten “zich heldhaftig gedragen en hun beroep veel eer aangedaan”, aldus niemand minder dan koning Albert I.

 

door Pol Deltour

 

De jaren 1880-1900 worden wel eens de ‘gouden jaren’ van de Belgische dagbladpers genoemd. Technologische vernieuwingen, de inlassing van reclame en een groeiend alfabetisme deden het aantal krantentitels en hun respectievelijke oplagen fors oplopen. In die periode zagen onder meer De Gentenaar (1879), Vooruit (voorloper van De Morgen) (1884), Het Laatste Nieuws (1888), Het Volk (1891-2008), Gazet van Antwerpen (1891) en De Nieuwe Gazet (1897) het licht.

Toen kwamen de Duitsers, en naar mate zij Belgisch terrein veroverden, brachten ze ook censuur met zich mee. Vanaf begin 1915 ontwikkelde de bezetter een heus persbeleid: geen artikelen die “de haat van de bevolking tegen Duitsland kunnen onderhouden of aanwakkeren”, geen negatieve informatie over de militaire prestaties van het Duitse leger of zijn bondgenoten, geen informatie over de Belgische regering in ballingschap… Enkel oorlogscommuniqués van een door de Duitsers gefinancierd persagentschap mochten worden overgenomen. Op elke redactie moest een ‘censuurbureau’ deze principes bewaken.

Nagenoeg alle kranten van de 92 die er toen verschenen, hielden ermee op. Uitgevers en journalisten weigerden zich te onderwerpen aan de Duitse censuur. De Standaard en Volksgazet (andere voorloper van De Morgen) werden uitgerekend in 1914 opgericht, maar stelden hun verschijning uit. In Gent daarentegen bleven De Gentenaar en Vooruit van de persen rollen, zij hadden zij minder last van de lokale Duitse censuur. Het heette dat zij een ‘aanwezigheidspolitiek’ voerden, laverend tussen de richtlijnen van de Duitse censoren. Ook de 2800 tijdschriften uit die periode stopten bijna allemaal met verschijnen.

 

Sluikpers

Er kwamen ook nieuwe kranten tot stand. Zo waren er ronduit pro-Duitse collaboratiekranten. Een bijzondere plaats nam de Vlaams-activistische pers in. Zij klaagde de uitbuiting van de Vlaamse frontsoldaten aan: 80 procent van de soldaten aan het front was Vlaams terwijl bij de officieren 80 procent Franstalig was. Deze pers werd loyaal gesteund door de Duitsers, die wel brood zagen in de ‘germanisering’ van het toen nog sterk francofone Vlaanderen. Het zijn deze kranten die na de oorlog zware rekeningen krijgen gepresenteerd, in de vorm van publicatieverboden en persoonlijke veroordelingen voor hun uitgevers en journalisten. Weliswaar zaten niet alle Vlaamsgezinde bladen op deze Duitse lijn: enkele namen een ‘passivistische’ houding aan, en kwamen op voor een oplossing van het Vlaamse vraagstuk in een opnieuw vrij België.

Daarnaast ontstonden ook clandestiene – en formeel verboden – bladen, 77 in het totaal. Deze sluikpers publiceerde berichten van en over de geallieerden en maakte de bezetter waar mogelijk het leven zuur. De clandestiene pers ging ook frontaal in de aanval tegen collaborerende en gecensureerde dagbladen, tot en met het bij naam noemen van de journalisten die ervoor werkten toe. In deze categorie speelde La Libre Belgique een prominente rol. Die krant publiceerde in de oorlogsjaren 171 clandestiene edities, ondanks talloze arrestaties van medewerkers en andere represailles vanwege de Duitsers.

De Bevrijding bracht voor de kranten die in 1914 bestonden en ermee ophielden, een doorstart met zich mee. Ook de kranten die waren blijven verschijnen in het kader van een ‘aanwezigheidspolitiek’, mochten voortdoen. De Standaard verscheen voor het eerst op 4 december 1918 – precies een eeuw geleden dus. De clandestiene verzetskrant La Libre Belgique verscheen voortaan als regulier dagblad. Een opmerkelijk verschil met vroeger was wel het kleinere papierformaat, een gevolg van financiële beperkingen en papiertekort.

 

De eer van het beroep

De vele journalisten die weigerden voor gecensureerde kranten te schrijven, veroordeelden zichzelf daarmee tot jaren van armoede. Plutôt souffrir que trahir, was het motto. De toenmalige Algemene Belgische Persbond (ABP), voorloper van de AVBB/VVJ, besliste op een algemene ledenvergadering in november 1914 dat het beroep van journalist niet meer zou worden uitgeoefend zolang de Duitse censuur aanhield. Sommigen trokken naar het buitenland, en probeerden van daaruit nog de bevolking in bezet België te informeren. Vele anderen sloten zich aan bij de clandestiene pers. De ABP, en met name de Brusselse afdeling, bood voor zover mogelijk financiële en andere hulp, onder meer in de vorm van goedkope warme maaltijden. Nederlandse en Engelse persverenigingen zorgden voor extra hulp.

Het leverde de Belgische journalisten na de oorlog een loftuiting op van koning Albert I. In een brief aan de ABP schreef hij: “Pendant la guerre, les journalistes belges, par l’action quand ils le pouvaient, par l’abstention et le sacrifice quand ils le devaient, ont bien servi la Patrie et porté très haut l’honneur de leur profession.” Dat gaf aanleiding tot enkele voordelen voor journalisten, zoals een korting bij de spoorwegen. Later, in 1934, verklaarde Albert zijn uitdrukkelijke geloof in persvrijheid als essentiële voorwaarde voor een vrij land. De ABP drukte hij, met een nieuwe wereldbrand die er zat aan te komen, op het hart ten allen tijde de journalistieke onafhankelijkheid te bewaren.

 

Oorlogscorrespondent

Lang voor Rudi Vranckx waagden dappere journalisten zich al aan het oorlogsfront. 1914-1918 zorgde voor een doorbraak van de oorlogsverslaggeving. Aanvankelijk vertrouwden de kranten die nog toe aan militairen zelf, en deden ze voor uitleg vaak een beroep op gepensioneerde militairen. Maar geleidelijk aan deed de nood aan onafhankelijke waarnemers zich gevoelen. Vooral in het spoor van de Britse en Amerikaanse legers doken meer en meer onafhankelijke oorlogsverslaggevers op.

De oorlogsjaren hadden trouwens voor een forse ontwikkeling van de persfotografie gezorgd. Dat uitte zich in de opkomst van een hele reeks ‘geïllustreerde’ bladen. Het publiek had een groot wantrouwen in de (gecensureerde) pers, en toen leefde nog de overtuiging dat een beeld niet kon liegen. Hetzelfde gold voor filmjournaals (het eerste was door Charles Pathé gemaakt in 1907). Reden waarom overheden wereldwijd filmreporters wantrouwden en vaak aan banden legden. Radioverslaggeving zou zich pas na de oorlog echt ontwikkelen.

De Bevrijding had zoals bekend maar een heel tijdelijk effect. In 1940 overviel een nog strenger censuurregime de Belgische media. Maar ook toen hield het gros van de journalisten het been stijf. En ook aan dat verhaal kwam gelukkig een einde.

 

 

Bibliografie:

  • Stéphane Brabant, La presse belge de la Grande Guerre, uitgave in eigen beheer, 2015
  • Marleen Sluydts en Anke Janssens, Korte geschiedenis van de AVBB en de journalistiek in België, VVJ, 2006
  • Els De Bens en Karin Raeymaeckers, De pers in België, Lannoo Campus, 2010
  • The Belgian War Press, cegesoma.be, website van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (SOMA): biedt een quasi volledig overzicht van de gecensureerde en clandestiene kranten uit beide wereldoorlogen.
  • Nicolas Brunel en Raphaèle Cornille, 1914-1918. De Belgische pers tijdens de Eerste Wereldoorlog, Mundaneum