De vuist van Ruys

DE VUIST VAN RUYS

 

Lukas De Vos herdenkt Manu Ruys (1924-2017)

 

 

“Wij, journalisten, zijn belangrijk op het moment dat wij verantwoordelijkheid dragen. Zijn wij uit de media dan moeten wij zwijgen.”

Opmerkelijke woorden van een oude krokodil in Doorbraak in 2011, toen Ruys 85 was. Er zat altijd iets van een lekenjezuïet in Manu Ruys, die zich opwerkte van parlementair verslaggever tot één van de meest gevreesde kingmakers in België. Zijn beste verstandhouding had hij met Wilfried Martens. Maar hij was achteraf niet te beroerd om Martens in het rijtje te zetten van diens aartsvijand Leo Tindemans, van Gaston en Mark Eyskens, van Jean-Luc Dehaene. Compromispolitici, heette het, en daar had Ruys een broertje dood aan.

Plus est en vous, was de leuze van het Lieve-Vrouwecollege in Antwerpen waar hij door zijn christelijk-liberale én Franstalige familie naartoe was gestuurd. Hij leerde koppig en hard te zijn, ook voor zichzelf, middelmaat en makheid waren hem des duivels. Manu Ruys was een politiek sterk geëngageerde journalist die zonder achteruitspiegels doorstootte.

Zoals hij zelf zei, verantwoordelijkheid veronderstelt kennis van zaken, inzet, en engagement. Het wordt licht vergeten dat hij het katholieke letterkundige blad Golfslag met Ivo Michiels, Adriaan De Roover, Paul de Vree en Albe oprichtte in 1946. Maar Ruys werkte zich snel in als politiek verslaggever bij De Standaard, met zijn vaste rubriek ‘Van Kamerleden en Senatoren’. Zijn gestage opgang vanaf 1955 bij de toen nog sterk katholieke krant deed hem al vroeg mee de lijnen uitzetten en de koers bepalen. Als politiek hoofdredacteur naast Luc Vandeweghe (E. Troch) vanaf 1960, als leidend hoofdredacteur tussen 1975-1989. Hij werd opgenomen in het bestuur, later in het directiecomité van de Vlaamse Uitgeversmaatschappij (1982-1997), die de krant redde uit het bankroet (1976). André Leysen trok de erfenis van Albert De Smaele uit het moeras.

 

Vlaams

Continuïteit was onmiskenbaar, De Standaard was en bleef de gangmaker van de Vlaamse Beweging, van de zelfverzekerde Vlaamse elite. Ruys speelde een belangrijke rol in de vervlaamsing van de Universiteit Leuven, in de val van het kabinet Vanden Boeyants (1968), bij de mislukking van het Egmontpakt (1977-1978). Ruys zag dat het goed was, je moest neen durven te zeggen.

In 1989 ging hij met pensioen. Hij gaf de fakkel door aan Lou de Clerck, voormalig woordvoerder van Wilfried Martens en van de CVP. Maar zwijgen? Heeft Ruys nooit gedaan.

Het was sterker dan hemzelf. Hij verdedigde onafgebroken de aloude eisen van de Vlaamse frontvorming: eigen taal, eigen grondgebied, eigen instellingen, geen tweede Nolfbarak. Of zoals hij in Achter de Maskerade samenvatte: “Taal, cultuur en gemeenschapsvisie: het is een stevige triptiek. Zij behoeft geen kunstmatige, emotionele ondersteuning.” Ruys stelde zich op als nationaal-Vlaams, nooit als Vlaamsnationalist. Van zijn overtuiging is hij nooit afgeweken, ook niet in zijn boeken: Valt België Uiteen ? (1969), De Vlamingen: Een Volk in beweging. Een Natie in Wording (1972), De Geboorte van de Vlaamse Natie (1985), Waarnemer in de Stroomversnelling (1989).

De Vlaamse verzelfstandiging moest in zijn ogen uitlopen op confederalisme, en als er niet meer te praten viel met de Walen, op afscheiding. Hij was bereid Brussel op te geven, want “je kunt niet weggeven wat je niet in handen hebt”. Een Europees district leek hem de beste oplossing. Hij drong sterk aan op een eigen Vlaams buitenlands beleid. Behalve zijn activisme in de Belgische politiek, had hij ook oog voor Kongo, dat hij dertig keer bezocht. Hij wijdde er twee boeken aan, Vijfentwintig Jaar Kongo (1985) – hij begreep de houding van Boudewijn nauwelijks – en Waarom Lumumba Moest Sterven (2000).

 

Jonkies

Een verraderlijke slag vond hij de modernisering en radicale koerswijziging van ‘zijn’ krant in 1999. Toen nam de jonge Turk, Peter Vandermeersch, de vroegere correspondent in Parijs, de hoofdredactie over. Vandermeersch koos voor vernieuwing op alle vlakken, ontsloeg een hele generatie oudere redacteurs, haalde jonkies van De Morgen binnen die net ontslagen waren, en dumpte de verroest geachte Vlaamse eisen. Symbolisch haalde hij het logo AVV-VVK van het voorflap, wat Ruys hoofdschuddend afkeurde.

Hij ging met de jaren steeds meer hameren op de waarden, de christelijke overtuiging, het rechtse gedachtengoed – hoewel hij altijd wars is gebleven van uiterst rechtse avonturen. Hij schreef columns in Punt, het kortlevende blad van Peter De Roover, in Doorbraak (toen het blad van de Vlaamse Volksbeweging), in het christelijke Tertio, en hij liet onthullende politieke gedenkschriften na: Achter de Maskerade (1996), Op de Korrel (1997) en vooral Een Levensverhaal (1999). Hij bleef waardig in een ontnuchtering die hem veel pijn had gedaan, maar spaarde de roede niet. “De tweede Mars op Brussel (1962) was een stommiteit”, liet hij zich ontvallen. Zelf zou hij nooit aanschurken tegen het populisme en evenmin tegen de burgerlijke (Franstalige) salons waar Hugo Schiltz en Jos Chabert zich zo graag ophielden, of in De Warande waar het puikje van de Vlaamse elite zijn privébijeenkomsten hield en houdt. Ruys was eerder de kabinetsgenodigde, een insider, een hofmeier. Hij belde toen al rechtstreeks met de minister, nooit met zijn woordvoerder (wat wij nu vanzelfsprekend vinden). Ook als die minister André Cools of Alfons Vranckx heette. Of Jos De Saeger die een suite in Hotel Astoria afhuurde.

Wel verengde zijn visie op België met de dag. Hij zag alleen nog heil in een Vlaamse voorhoede die van zich af zou bijten, hij prees de stugge houding van Gerolf Annemans (VB) omdat die geen morzel gronds meer wil afgeven, want ooit “zal Europa de landsgrens vastleggen op de taalgrens”. Angst voor de toenadering tussen Wallonië en Brussel had hij nooit, die was tot mislukken gedoemd omdat opnieuw Europa nooit zou aanvaarden dat na Straatsburg Frankrijk nog een tweede Europese hoofdstad kon krijgen. Hij vond dat NVA en VB moesten samenwerken, dat de schutkring rond het VB een anomalie was, dat de Groot-Nederlandse gedachte aan herwaardering toe was. En ook dat de kwaliteit van de media was ingeruild voor geldhonger, en de jongere generatie ontspoord was. Bij die achtenzestigers kon alles en mocht alles, en dat strookte niet met zijn morele waarden. Ruys besefte dat de rol van de kerk als leidende factor was uitgespeeld. Anderzijds heeft hij nooit willen weten dat de socialisten wel degelijk als eersten achter de Vlaamse eisen stonden, ondanks zijn waardering voor Lode Craeybeckx (“Wij laten Brussel niet los”) of Hendrik Fayat (de vader van de vervlaamsing in de diplomatie).

 

Conservatief

Ruys bleef helder van geest, maar vond alleen nog soelaas in eigengereide en sterk onderbouwde maar conservatieve, traditionele benaderingen: in de politiek bij Rik Van Cauwelaert (Knack), in de economie bij Frans Crols (Trends), in de verdediging van de Vlaamse belangen bij ’t Pallieterke en ’t Scheldt, in de rechtlijnigheid en het non-conformisme bij Mark Grammens (Journaal). Ruys werd stilaan zelf een partijloze radicaal, een intellectuele Kaganovemus. Hij wist het en hij voelde zich goed in die rol. “Wij gaan naar een totaal andere situatie in Vlaanderen”, zei hij in een interview met Doorbraak, “Dat zie je met ouder te worden: de samenleving evolueert, en jij evolueert minder snel.”

Want zo standvastig is Manu Ruys altijd wel gebleven. In zijn aanvaardingsrede ‘De Taak van de Elite’, toen hem in 1995 de Orde van de Vlaamse Leeuw werd uitgereikt in Gent, legde hij nogmaals de klemtoon op zijn streven: “Deze Vlaamse natie haalt haar kracht niet uit militaire sterkte, niet uit diplomatiek prestige, niet uit een monetaire sleutelpositie. Zelfs niet uit haar handels- en industriële dynamiek. Doorslaggevend in het proces is de cultuurpolitieke factor. In de cultuur domineren de gedachten en de morele waarden die een beschaving schragen.” Hij verwees naar zijn oude vriend Max Lamberty. Die huldigde onverdroten als uitgangspunt: “Wie toestanden wil veranderen, moet eerst een ideaal bouwen.”

Maar voor Ruys en Lamberty was dat een nuchtere constructie. Ruys gaf niet toe aan romantisch idealisme, het was de realiteit die hem tot nadenken stemde. Een werkelijkheid die hij van jongs af aan thuis al had ondervonden met de achteruitstelling van de kleine man, die zich niet kon uitdrukken behalve in zijn dialect en minachtend bekeken werd door de Franstalige bourgeoisie. Hij bekeerde zich spoedig tot de tegenbeweging, tot de ontvoogdingsstrijd. En zoals het wel met meer mensen van ‘ziele-adel’ gebeurt, hij werd daar katholieker in dan de paus. Maar met stijl. Je wist ten minste waar hij stond en wat je aan hem had. En je onderschrijft zijn groeiende afkeer van de televisiepolitiek, en “het ijdele gekwebbel van mediapanels”. Ook als je uit het andere kamp komt. Ten slotte was hij toch, volgens zijn kompaan Hugo De Ridder, “de machtigste politicus van zijn tijd”.

Foto: Bert Van Den Broucke (Photo News)