Humo moet artikel over Kazachgate niet van website halen

Humo moet een artikel dat het op 10 april publiceerde over Kazachgate niet van de website halen. Dat besliste een Brusselse rechter half juli, na een kort geding van de Rus Patokh Chodiev, de spilfiguur in het schandaal.

 

Het gewraakte artikel is een interview met kamerlid Dirk Van der Maelen (sp.a), voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie over de mysterieuze totstandkoming van de Belgische ‘afkoopwet’ uit 2011. Met dank aan Belgische politici zou Chodiev de stemming van die wet hebben geforceerd, om zo zelf een strafrechtelijke vervolging af te kopen.

De Rus stoorde zich aan de ‘lasterlijke’ toon van de titel (“Wie bestelde de wet voor miljardair-crimineel Chodiev?”), de intro bij het interview en de gestelde vragen. Per dag dat het artikel op www.humo.be zou blijven staan, eiste hij een schadevergoeding van 10.000 euro. Maar de Brusselse kortgedingrechter Thiery verwierp de klacht over de hele lijn. De berichtgeving is wel degelijk gefundeerd en van een schending van het vermoeden van onschuld is geen sprake, aldus de beschikking.  (PD)

 

 

Lees hier de analyse van Dirk Voorhoof, professor mediarecht:

 

Kazachgate-miljardair botst op persvrijheid in België

 

De manipulaties rond de Belgische afkoopwet hebben nu ook een uitloper in een rechtszaak waarin de persvrijheid centraal staat. De Oezbeeks-Belgische miljardair Patokh Chodiev wilde namelijk via kort geding de verwijdering van een Humo-artikel over ‘Kazachgate’. De rechter heeft de vordering van Chodiev evenwel kordaat afgewezen, in essentie omdat de toewijzing ervan zou neerkomen op een aantasting van de persvrijheid.

 

Dirk Voorhoof

 

 

Hoewel artikel 25 van de Belgische grondwet de persvrijheid waarborgt, blijken politici, captains of industry of andere publieke personen het daar toch soms moeilijk mee te hebben. In een aantal opmerkelijke zaken van de voorbije jaren moesten journalisten of hoofdredacteurs zich voor de rechtbank verantwoorden voor kritische berichtgeving over zaken met een manifest maatschappelijk belang. Onlangs werd ook het weekblad Humo met een opmerkelijke poging tot inperking van de persvrijheid geconfronteerd, naar aanleiding van een interviewartikel met kamerlid en voorzitter van de Kazachgate-commissie Dirk Van der Maelen. Het interview handelt over de werkzaamheden in de parlementaire onderzoekscommissie naar de totstandkoming van de wet van 14 april 2011 op de minnelijke schikking, de ‘afkoopwet’.

Het Humo-artikel zoomt in op de rol van Patokh Chodiev, een Oezbeeks-Belgisch miljardair met een dubieuze reputatie, die als één van de eersten beroep kon doen op de afkoopwet. Chodiev wordt in het artikel omschreven als ‘miljardair-crimineel’ en ‘maffieus’. Voor alle duidelijkheid: voorjaar 2011 verwees de raadkamer Chodiev naar de correctionele rechtbank op beschuldiging van valsheid in geschrifte, witwassen en bendevorming. Tot een rechtszaak kwam het evenwel niet omdat Chodiev een minnelijke schikking onderhandelde met het gerecht. Samen met zijn zakenpartners betaalde Chodiev 22,5 miljoen euro om een einde te stellen aan de strafvervolging.

Na de publicatie van het interview op de Humo-website eiste Chodiev via zijn advocaten de onmiddellijke verwijdering van de tekst, en de stopzetting van de verkoop en distributie van de papieren versie van Humo met het bewuste interview. Omdat Humo weigerde op die dubbele eis in te gaan, stapte Chodiev naar de rechtbank. In een procedure in kort geding eiste hij van de hoofdredacteur van Humo, Jörgen Oosterwaal, als voorlopige maatregel de verwijdering van het artikel op www.humo.be en elke andere website, ofwel minstens de verwijdering van enkele passages die hem in verband brachten met de Russische maffia en corruptie. Als Oosterwaal geen gevolg zou geven aan het rechterlijk bevel, werd een dwangsom geëist van 10.000 euro per dag vertraging.

 

Op 18 juli 2017 heeft de voorzitter van de Brusselse rechtbank de vordering van Chodiev afgewezen. Met verwijzing naar artikel 10 EVRM beklemtoont de rechter dat ‘de verwijdering van het gewraakte artikel in een democratische samenleving niet noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, en dat de privacy van de heer Chodiev niet opweegt tegen het belang van de persvrijheid en informatie van het publiek in deze democratische samenleving’.

De rechter haalt twee argumenten van Chodiev onderuit: de schending van het vermoeden van onschuld en het belang van het recht op privacy om de persvrijheid in te perken. De beschikking benadrukt dat het vermoeden van onschuld zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM zeker als een onwrikbaar principe geldt voor rechters en rechtscolleges, maar niet op dezelfde wijze voor de media en de gerechtsverslaggeving. ‘Chodiev geniet ten aanzien van de Belgische Staat en zijn organen ten volle van het vermoeden van onschuld’, maar hij kan dus niet verhinderen dat de media berichtgeving over hem verspreiden die hem in verband brengt met strafbare feiten. Mocht Humo op onrechtmatige of foutieve wijze berichten over Chodiev, dan kan dat eventueel leiden tot civielrechtelijke aansprakelijkheid in toepassing van artikel 1382 BW, achteraf. Maar dat was niet het voorwerp van de kortgedingprocedure waarin Chodiev de verwijdering eiste van het artikel van de Humo-website, of in subsidiaire orde een reeks weglatingen uit de tekst.

De beschikking verduidelijkt de toepassing die moet worden gemaakt van artikel 10 EVRM, met verwijzing naar enkele arresten van het EHRM die een leidraad geven voor dit soort zaken waarin het recht op reputatiebescherming moet worden afgewogen tegen het recht op expressievrijheid en verslaggeving over zaken van maatschappelijk belang. Benadrukt wordt dat onderzoeksjournalistiek en vrijheid van meningsuiting als participatie aan het maatschappelijk debat op een bijzonder hoge beschermingsgraad mogen rekenen. Bovendien baseerde Humo zich op eigen onderzoek en op verklaringen die zijn afgelegd in de parlementaire onderzoekscommissie. Het feit dat sommige uitlatingen of kwalificaties kwetsend zijn voor Chodiev is nog geen voldoende reden om te bevelen het gewraakte artikel van de website van Humo te verwijderen. Omdat de Humo-journalist bij het gebruik van bepaalde termen of passages kennelijk geen strafbaar opzet noch oogmerk om te schaden had, acht de voorzitter van de rechtbank ook het verwijderen van enkele gewraakte passages niet aanvaardbaar. De vordering van Chodiev worden dus afgewezen omdat die onvermijdelijk zou neerkomen op een ongeoorloofde inmenging in de pers- en uitingsvrijheid van Humo.

 

Dirk Voorhoof is verbonden aan het Human Right Centre van de UGent, doceert mediarecht aan de Universiteit van Kopenhagen en is lid van het European Centre for Press and Media Freedom. Hij publiceerde onlangs ‘Freedom of Expression versus Privacy and the Right to Reputation. How to Preserve Public Interest Journalism’, in Stijn Smet and Eva Brems (eds.), When Human Rights Clash at the European Court of Human Rights. Conflict or Harmony? Oxford University Press, 2017, pp. 148-170.

 

Voorz. Nl. Rb. Brussel (Kort Ged.) 18 juli 2017, Patokh Chodiev t. Jörgen Oosterwaal, onuitg.

 

www.legalworld.be

 

 

 

Humo, MO* en APACHE

 

Deze zaak doet denken aan het geding waarin N-VA-politicus Pol Van Den Driessche een schadevergoeding van 625.000 euro eiste van Humo-journalist Jan Antonissen, die had bericht over getuigenissen van seksuele intimidatie. Enige tijd geleden spande ook George Forrest een geding in tegen het magazine MO* en journalist John Vandaele, naar aanleiding van een kritisch artikel over de rol van de Forrestgroep in de Congolese mijnontginning. Noch Jan Antonissen, noch John Vandaele werden veroordeeld, omdat toen ook de Belgische rechtscolleges zorgvuldig toepassing maakten van de grondrechtelijke bescherming van de persvrijheid.

Journalistieke berichtgeving en duiding over aangelegenheden van maatschappelijk belang, waarbij publieke personen in een kwalijk daglicht komen te staan, genieten immers een bijzonder hoog niveau van persvrijheid. Voorwaarde is wel dat er een feitelijke basis moet zijn voor de aantijgingen of dat althans de journalist of de redactie, met journalistieke methoden een voldoende inspanning moet hebben gedaan om die feitelijke basis, onder andere via documenten of getuigen, aanneembaar te maken.

In de zaak Forrest maakte het Brusselse hof van beroep duidelijk dat ‘personen die beroepshalve met de publieke opinie worden geconfronteerd meer kritiek moeten dulden, zelfs met een zekere dosis overdrijving. Dit geldt ook voor zakenlui’. Dat de persoon en het bedrijf van Forrest op kritische en zelfs wat eenzijdige wijze werden belicht, was daarom nog niet beledigend of lasterlijk.

Deze rechtspraak weerhoudt nochtans sommige publieke personen er niet van om toch een procedure aan te spannen, met buitensporige en vooral intimiderende eisen. Zo is er de rechtszaak waarin de nieuwswebsite Apache en enkele van haar journalisten zich moeten verantwoorden voor de berichtgeving over de Optimazaak, de Tunnelplaats en andere vastgoeddeals in Antwerpen. De in opspraak gekomen Land Invest Group en enkele personen eromheen eisen het verwijderen van een tiental ‘laakbare’ artikels van de Apachewebsite en een schadevergoeding oplopend tot 350.000 euro (zie www.apache.be/dossier/apache-moet-zwijgen). Ook tegen andere media en journalisten die berichtten over de Optimazaak is gedreigd met rechtsvorderingen en duizelingwekkende schadeclaims. Opmerkelijk is dat vaak niet volstaan wordt met een eis tot schadevergoeding, maar dat tegelijk aangedrongen wordt op de verwijdering van de onlineversie van de journalistieke artikels in kwestie.

Er is al eerder voor gepleit om manifeste vormen van intimidatie van de journalistieke vrijheid een halt toe te roepen. Dat kan via een wetsaanpassing, wat in sommige landen als anti-slapp’ betiteld wordt, waardoor het moeilijker wordt om rechtsvorderingen en procedures te starten die kennelijk een ongeoorloofde inperking beogen van journalistieke verslaggeving over belangrijke maatschappelijke thema’s (Strategic Lawsuits Against Public Participation). Binnen het huidige wettelijke kader van het gerechtelijk wetboek zouden alvast de eisers in manifest intimiderende rechtsprocedures in mediazaken zelf veroordeeld kunnen worden wegens procesrechtmisbruik of tergend en roekeloos geding, omdat de vorderingen neerkomen op het wetens en willens misbruik maken van het gerecht in een poging kritische journalistiek het zwijgen op te leggen. Ook advocaten zouden er goed aan doen hun op de lange-tenen-getrapte cliënten zulke vorderingen af te raden, in plaats van dit soort roekeloze rechtsgedingen, die de bijl zetten in de basisprincipes van persvrijheid, op gang te trekken.  (DV)