Freelancejournalisten halen gelijk in fiscaal conflict

Enkele freelancejournalisten die hun inkomsten volledig als auteursrechten hadden gemeld in hun belastingaangifte en daarvoor waren teruggefloten door de fiscus, hebben gelijk gekregen van de rechter. Die vonnissen kunnen nu wellicht als argument worden gebruikt om vorderingen die de BBI heeft lopen tegen freelancejournalisten te laten vallen. Zo kan de spons worden gehaald over het verleden, dat de afgelopen acht jaar is gekenmerkt door fiscale onduidelijkheid en willekeur. Voor de toekomst is een ruling in de maak, die een redelijke opdeling bepaalt van de inkomsten in ‘auteursrechten’ en ‘beroepsinkomen’, voor zowel freelancejournalisten in hoofd- als in nevenberoep.

Op 16 november 2016 heeft de rechtbank van eerste aanleg in Gent freelancejournalist Marc Goossens in het gelijk gesteld in een zaak tegen de FOD Financiën. Deze laatste had, kennelijk ten onrechte, de inkomsten van Goossens beoordeeld als ‘inkomsten als bedrijfsleider’ en niet als ‘auteursrechten’. Dat is een belangrijk vonnis, in het licht van soortgelijke problemen die andere freelancers hebben met de Bijzondere Belastinginspectie (BBI). In afwachting van een ruling die als richtlijn kan gelden voor de toekomst, kan dit vonnis een baken zijn voor de geschillen over het fiscale verleden.

Marc Goossens had in 2007 met een grote uitgever een overeenkomst gesloten dat hij via zijn vennootschap bijdragen zou leveren als verslaggever en fotograaf. Per 1 januari 2009 wordt de samenwerking tussen Goossens’ vennootschap en de uitgever evenwel stopgezet en tekent de freelancer in persoonlijke naam een auteursrechtenovereenkomst met de uitgever. Op die manier maakt Goossens gebruik van de nieuwe fiscale wetgeving op auteursrechten, die uitgevaardigd is op 16 juli 2008.

Maar volgens de FOD Financiën zijn de inkomsten die de freelancer heeft ontvangen voor zijn bijdragen aan die uitgever geen ‘auteursrechten’ maar ‘inkomsten als bedrijfsleider’. Eind 1996 had Goossens namelijk zijn eenmanszaak overgedragen aan de vennootschap die hij begin 1996 had opgericht en waarvan hij de bedrijfsleider was. En sinds het aanslagjaar 1997 had hij inkomsten aangegeven als loontrekkende en als bedrijfsleider van zijn vennootschap. Door die eigendomsoverdracht behoren de auteursrechten enkel de vennootschap toe. De uitgever is een klant van de vennootschap, alsook de daaruit voortvloeiende vergoedingen, aldus de fiscale administratie. De inkomsten die de journalist verwerft, moeten dus worden gezien als ‘inkomsten als bedrijfsleider’.

Op basis daarvan had de fiscus de belastingaangifte van Goossens, voor de aanslagjaren 2011 en 2012, gewijzigd, wat leidde tot navorderingen. Na een bezwaarschrift van de journalist en de ongegrondverklaring ervan door de belastingdiensten legde Goossens twee jaar geleden de zaak aan de rechtbank voor.

De rechtbank van eerste aanleg in Gent heeft op 16 november 2016 geoordeeld dat de belastingdienst voorbij is gegaan aan het feit dat de overeenkomst tussen de vennootschap van de journalist en de uitgever op 1 januari 2009 was stopgezet. Dus kan de uitgever niet meer worden beschouwd als klant van de vennootschap.

Voorts, aldus de rechtbank, gaat de belastingdienst ten onrechte voorbij aan het gegeven dat tussen de journalist en de betrokken uitgever een auteursrechtenovereenkomst was afgesloten, wat economisch en juridisch een legitieme handeling was, gezien de gewijzigde fiscale wetgeving ter zake. Dat de journalist gebruik heeft gemaakt van de nieuwe wetgeving kan niet als een onregelmatige ‘constructie’ worden beschouwd, “zelfs al geeft deze nieuwe regelgeving een gunstigere fiscale behandeling”.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de belastingdienst ten onrechte is uitgegaan van fiscaal misbruik. De vordering van de journalist is dus gegrond. Dat betekent dat de bijkomende belasting die de fiscus had geëist vervalt en dat de fiscale overheid, als in het ongelijk gestelde partij, de kosten van het rechtsgeding moet betalen.

Rechtbank Namen

Even tevoren, op 2 november 2016, had de rechtbank in Namen ook al twee vonissen geveld ten voordele van Franstalige journalisten. Het ging hier om freelancers in nevenberoep. De rechtbank heeft toen de herkwalificatie, door de FOD Financiën, van ‘auteursrechten’ tot ‘beroepsinkomen’ verworpen. De opgelegde achterstallige belastingen plus de 50 % boete moesten worden geannuleerd. De argumenten voor die vonnissen waren wel gebaseerd op andere gegevens. De FOD Financiën had journalistiek werk niet beschouwd als iets wat beschermd is door de wet van 30 juni 1994 op het auteursrecht en de inkomsten dus als ‘beroepsinkomen’ behandeld. Voor de FOD Financiën lag de bewijslast, als het tegendeel werd beweerd, bij de belastingplichtige.

Maar de rechtbank vond dit een arbitraire beslissing en legde de bewijslast bij de FOD Financiën. Het is de fiscale administratie die moest bewijzen dat het niet om auteursrechten maar om beroepsinkomsten ging. De rechtbank zei ook duidelijk dat de bescherming van het auteursrecht ook geldt voor artikels en foto’s in de dagelijkse pers. De Belgische staat had niet aangetoond dat de betrokken artikels en foto’s niet onder de bescherming vallen van de wet van 30 juni 1994.

De freelancers in nevenberoep hadden een overeenkomst met hun uitgever waarin was bepaald dat ze uitsluitend werden betaald voor de overdracht van hun auteursrechten, zoals mogelijk gemaakt door de administratieve circulaire van 4 september 2014. Door die inkomsten om te zetten in ‘beroepsinkomsten’ had de FOD Financiën op een arbitraire manier gehandeld, meende de rechtbank van eerste aanleg in Namen. (I.D.)