Auteursrechten in uw belastingaangifte

Even vooraf: inkomsten uit auteursrecht zijn roerende inkomsten, geen beroepsinkomsten. Ze worden apart belast, tegen 15%, na aftrekking van vrij hoge forfaitaire kosten. Dat zijn dus kosten die u niet hoeft te bewijzen, ze worden automatisch van die roerende inkomsten afgetrokken. Maar als u denkt méér kosten te kunnen bewijzen dan die forfaitaire kosten, dan mag u ervoor kiezen die bewijsbare kosten in te brengen in plaats van de forfaitaire kosten.

 

Werknemers vullen hun gewone bezoldigingen (wedden, lonen, werkloosheidsuitkeringen, …) in deel 1 van de aangifte in, bij vak IV. Zelfstandigen vullen hun beroepsinkomsten in bij vak XIX (baten van vrije beroepen) in deel 2 van de belastingaangifte. Ter herinnering even de tarieven van de basisbelasting op gewone bezoldigingen en op baten uit vrije beroepen, voor inkomstenjaar 2015:

 

Belastbaar inkomen            Basisbelasting

€ 0     € 8.710                                  25%

€ 8.710 – € 12.400                           30%

€ 12.400 – € 20.660                         40%

€ 20.660 – € 37.870                         45%

> € 37.870                                           50%

 

Maar zoals gezegd: auteursrechten zijn geen beroepsinkomsten en moeten dus elders worden ingevuld, ongeacht of u werknemer dan wel zelfstandige bent met inkomsten uit auteursrechten.

Die inkomsten moet u aanbrengen in Vak VII, ‘Inkomsten van kapitalen en roerende goederen’ in deel 1 van de belastingaangifte. Daar vindt u onder de letter D: ‘Inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten, naburige rechten en wettelijke en verplichte licenties’. Bij het cijfer 1117-47 (of 2117-17 voor de partner) vult u het bruto totaal in van wat u aan auteursrechten hebt ontvangen. Dat betekent dus: samentellen van wat u bruto aan auteursrechten hebt verkregen bij diverse opdrachtgevers en van auteursrechtenmaatschappijen zoals JAM of SOFAM.

 

Bij de code 1118-46 (of 2118-16) vult u de kosten in. Hier kunt u kiezen tussen de forfaitaire kosten of de werkelijke (en te bewijzen) kosten.

 

Kiest u voor het forfaitaire kosten-systeem, dan moet u even gaan tellen. Want hoeveel forfaitaire kosten mogen worden afgetrokken, hangt af van uw totaal aan bruto auteursrechten. En dat verloopt in schijven.

Voor het inkomstenjaar 2015 (aanslagjaar 2016) ziet dat er als volgt uit:

 

Auteursrechten

 

Forfaitaire kosten

Belastbaar

Roerende voorheffing

€ 0 – € 15.270

50%

  7.635

15%  (= € 1.145,25)

€ 15.270 – € 30.540

25 %

11.452,50

15 % (= € 1.717,88)

€ 30.540 – € 57.270 

  0 %

26.730

15%  (= € 4.009,50)

 >  € 57.270

 

 

Géén roerende voorheffing, maar progressieve  inkomstenbelasting (tussen 25 en 50%)

 

Laten we even een cijfervoorbeeld geven: stel dat u 40.000 euro aan auteursrechten hebt ontvangen. Dan bedragen uw forfaitaire kosten 11.452,50 euro. Hoe komen we daaraan? Wel: 50% van de eerste schijf van 15.270 euro (= 7.635 euro), plus 25% van de schijf tussen 15.270 en 30.540 euro (= 3.817,50 euro). Op het gedeelte tussen 30.440 en uw 40.000 euro kunt u geen forfaitaire kosten inbrengen en geldt de 15% belasting voor het geheel van die schijf.

Dat uitgerekende bedrag van uw forfaitaire kosten vult u dus in bij de code 1118-46 (of 2118-16).

 

Misschien ook interessant om eens uit te rekenen hoeveel belasting (roerende voorheffing) u dan verschuldigd bent op dat bruto roerend inkomen van 40.000 euro uit auteursrechten. Dat zal 4.282,13 euro zijn. Dat bedrag is samengesteld uit 1.145,25 euro op de eerste schijf, 1.717,88 euro op de tweede schijf en uiteindelijk nog 1.419 euro op het gedeelte tussen 30.540 en uw 40.000 euro.

 

Kiest u voor werkelijke (en te bewijzen) kosten, dan vult u uiteraard dat bedrag in bij de code 1118-46 (of 2118-16).

 

Bij de code 1119-45 (of 2119-15) vult u het totaal in van de roerende voorheffing die door uw opdrachtgever(s) al is ingehouden.

Sommige opdrachtgevers sturen u een overzicht (een zogenaamd formulier 281.45), waarin u ziet wat u bruto heeft ontvangen en wat de opdrachtgever daarop heeft ingehouden als roerende voorheffing. Dat maakt het een stuk makkelijker bij het invullen van uw aangifte.

 

Gedeeltelijk in auteursrechten

Voor wie volledig in auteursrechten is betaald geweest (en dus niet in beroepsinkomsten) doet zich een probleem voor. Hoewel een ministeriële circulaire van 4 september 2014 stelde dat auteur en uitgever zelf konden bepalen op welke manier voor de overdracht van auteursrechten zou worden betaald – dus desgewenst ook uitsluitend een betaling voor die overdracht – is de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) daartegen in het verweer gegaan, omdat ‘dit niet met de werkelijkheid overeenstemt’.

 

In zo’n geval kunt u het best uw totale ontvangsten van uw opdrachtgevers zelf opsplitsen in een gedeelte ‘beroepsinkomsten’ (voor zelfstandigen: ‘baten uit vrije beroepen’, laten we als voorbeeld 45 % nemen) en een gedeelte ‘auteursrechten’ (dat dan 55 % is).

Dan brengt u die 55% auteursrechten in zoals hoger uiteengezet. En u berekent opnieuw de forfaitaire kosten uit die gelden voor die auteursrechten.

 

Maar voor uw 45% beroepsinkomen brengt u wellicht ook beroepskosten in. En de kans is groot dat u daar kiest voor uw werkelijke (en te bewijzen) kosten. Dat kan, zonder problemen. Maar wellicht zal de fiscus niet aanvaarden dat u de volle 100% van uw bewijsbare kosten inbrengt, want voor 55 % van uw inkomsten (het gedeelte auteursrechten) hebt u al forfaitaire kosten die worden afgetrokken. Billijk lijkt ons dat u dan ook 45% van uw bewijsbare kosten toewijst aan uw beroepsinkomsten.

 

Kiest u voor zowel uw inkomsten uit auteursrechten als uit beroepsprestaties (‘baten’) voor de werkelijke kosten, dan kunt u die werkelijke kosten in ons voorbeeld ook voor 55 % toewijzen aan de inkomsten uit auteursrechten (te plaatsen bij de code 1118-46) en voor 45 % aan de inkomsten uit beroepsprestaties (die u invult in deel 2, vak XIX, bij de code 1657-89).

 

De hier genoemde percentages (55-45) zijn maar een voorbeeld. U kunt met uw opdrachtgevers een andere verdeling hebben afgesproken. Maar nogmaals: de BBI veegt een 100 % uitbetaling in auteursrechten van tafel.

Wellicht nuttig om te vermelden: de auteursrechten die u krijgt uitbetaald door een auteursrechtenmaatschappij (JAM, SOFAM) gelden fiscaal wél voor 100 % als auteursrechten. Dat zijn namelijk inkomsten voor hergebruik of voor reprografie, waarvoor geen arbeidsprestatie meer is verricht.

I.D.