Persvrijheid: work in progress

 

Dat daarbij de meeste aandacht naar het buitenland gaat, is niet meer dan normaal. Wereldwijd vielen dit jaar al 44 dodelijke aanslagen op journalisten te betreuren. Bij Charlie Hebdo waren ze met tien, en ook in Libië, Yemen, de Filippijen en Colombia stierven collega’s met pen, laptop of camera in de hand. Dat is dan nog zonder de honderden journalisten gerekend die worden gevangengehouden of vervolgd. En de vele nieuwsmedia die worden gecensureerd, of ronduit verboden.

In die context valt er bij ons minder te klagen. De mensenrechtenobservator Freedom House plaatste België zopas op plaats drie in de mondiale rangschikking qua persvrijheid – na Zweden en Noorwegen en ex aequo met Nederland en Finland. In de ranglijst van Reporters zonder Grenzen stegen we dit jaar weer van plaats 23 naar 15. Van een andere orde, maar toch: dat een journalist met een doorwrocht werkstuk de Gouden Uil wint, toont wat journalistiek bij ons te bieden heeft. Proficiat, Mark Schaevers!

Toch is het wishfull thinking dat alles daarom koek en ei zou zijn bij ons. Wel degelijk kan alles beter. Zo krijgen ook hier journalisten op het terrein van de politie niet steeds alle faciliteiten om hun werk te doen, en dit ondanks de officiële perskaart die ze hebben. Of wat te denken van de collega’s die recentelijk in Antwerpen met GAS-boetes zijn bedacht, gewoon omdat ze verslag uitbrachten van een manifestatie? Andere collega’s krijgen van politici het deksel op de neus, omdat die zich onvoldoende loyaal benaderd voelen. De wettelijk gewaarborgde openbaarheid van bestuur moet aan die politieke selectiviteit deels tegemoet komen, maar ook dat regime werkt niet altijd zoals het hoort. Van het gerechtelijk apparaat valt overigens evenmin altijd de empathie te verwachten die de persvrijheid verdient. En meer in het algemeen valt bij woordvoerders en communicatieprofessionals echt wel de toenemende tendens te betreuren van het spinnen en manipuleren – tot de desinformatie erop volgt.

Een andere bedreiging voor de persvrijheid is sluipender, maar niet minder erg. Ze zit bij de groeiende onmogelijkheid, voor al te veel journalisten, om uit budgettaire onmacht nog het werk te doen dat ze willen doen. Dat is niet eens een verwijt aan de mediabazen. De modale Vlaamse mediaondernemer heeft echt wel het beste voor met zijn bedrijf; platte rentenierskapitalisten zitten er niet tussen. Toch moeten ook zij zich er permanent voor hoeden om vanuit hun bedrijfseconomische logica redacties en journalisten al te zwaar onder druk te zetten. Ze doen dat wanneer ze met te sterke commerciële impulsen journalisten gaan beletten om hun ethische verantwoordelijkheid op te nemen. Wanneer ze reclame, sponsoring of product placement willen introduceren in nieuwscontent. Wanneer ze journalisten een al te hoge werk- of prestatiedruk gaan opleggen, waardoor die fouten gaan maken of te snel opbranden. Of wanneer ze journalisten te weinig betalen voor hun werk…

Op 3 mei was de Franse economiewetenschapster Julia Cagé te gast in Brussel, en zij formuleerde het idee om van media vzw’s te maken. Met een gewaarborgde inspraak van uitgevers en investeerders, maar ook van lezers en journalisten. Dat is zeker het bestuderen waard. Overheden zouden dan perssteun en journalistieke werkfaciliteiten exclusief op die entiteiten kunnen toespitsen. Maar zo’n statuut daarom gaan verplichten, is wellicht een stap te ver. Want bots je dan niet op… de persvrijheid?

Eén ding is zeker: persvrijheid is nooit definitief verworven. Het is en blijft een work in progress.

 

Pol Deltour

Nationaal secretaris VVJ