Regering schaft aanvullende journalistenpensioen in zijn huidige vorm af maar belooft nieuw regime

De AVBB had bij Van Quickenborne een onderhoud gevraagd naar aanleiding van diens bruuske aankondiging dat hij het aanvullende journalistenpensioen, zoals het sinds 1971 wettelijk is gewaarborgd, wilde opdoeken. Die aankondiging sloeg de getroffen 3500 loontrekkende beroepsjournalisten met verstomming. Het pensioensupplement in kwestie wordt immers door de mediasector zelf gefinancierd, via aanvullende sociale bijdragen ten belope van 3% van het journalistenloon. 2% daarvan is ten laste van de werkgever, 1% van de journalist zelf.

Van Quickenborne moest tijdens het onderhoud met de AVBB toegeven dat hij niet over harde cijfers beschikt die aantonen dat het aanvullende journalistenpensioen in zijn huidige vorm deficitair zou zijn. Een oude RVP-studie uit 1995 heeft het over een tekort van € 125.000. Maar dat cijfer is behalve uiterst laag ook compleet achterhaald, vooral dan door het grote aantal actieve (en dus bijdragen leverende) beroepsjournalisten dat er sindsdien is bijgekomen. Eigen AVBB-rekenwerk toont overigens aan dat het aanvullende journalistenpensioen veeleer winst dan verlies genereert voor de sociale zekerheid. Niettemin noemt de Pensioenminister het aanvullende journalistenpensioen wel “potentieel deficitair”, en daarbij verwijst hij naar de vergrijzing die ook onder journalisten zou toeslaan.

Daarom wil de regering-Di Ripo (alle 6 regeringspartijen dus) het journalistenpensioen in een nieuwe vorm gieten, waardoor het “financieel robuust genoeg is om de aanvullende pensioenen te blijven uitbetalen zonder een beroep te doen op subsidiëring vanuit het algemeen beheer van de sociale zekerheid”.

Welke vorm precies het nieuwe pensioenregime voor de journalisten dan zou aannemen, kon de Pensioenminister nog niet zeggen. Dat zal in de eerste plaats afhangen van de cijferoefening die de RVP momenteel nog aan het maken is rond het afgeschafte systeem. Daarna zal Van Quickenborne behalve met de AVBB ook met de werkgever in gesprek gaan over de voortzetting van het systeem.

Twee pistes zijn mogelijk. Ofwel wordt er opnieuw gekozen voor een wettelijk pensioensysteem – een soort 1ste pijler bis. De AVBB maakte Van Quickenborne alvast duidelijk dat dit voor haar de enige mogelijkheid is. Het statuut van ‘beroepsjournalist’, dat in de wet van 1963 is geregeld, is ook een uitstekend aanknopingspunt om het aanvullende journalistenpensioen wettelijk te blijven regelen. Het alternatief zou een sectoraal overlegde pensioenverzekering zijn in de zogenaamde 2de pijler. Zoiets uitwerken voor ale journalisten gelijk, is een onmogelijke opgave, alleen al door de verscheidenheid van paritaire comités die in de mediasector bestaan.

De regeringspartijen waarborgen ten slotte dat het nieuwe pensioenstelsel “naadloos zal aansluiten op het bestaande systeem”. Het nieuwe pensioenstelsel zal met andere woorden retroactief worden toegepast vanaf Nieuwjaar 2012. Ofwel – tweede mogelijkheid – zullen de bijdragen die niet volgens het oude systeem werden betaald, worden gerecupereerd door bijvoorbeeld een verdubbeling van de bijdragen in het nieuwe systeem.

De AVBB staat nog steeds versteld van de snelheid en lichtzinnigheid waarmee het aanvullende journalistenpensioen uit 1971 is opgedoekt. De gemeenschap heeft hier in elk geval geen financieel baat bij, veeleer integendeel. 3500 beroepsjournalisten zijn het enige, pijnlijk getroffen slachtoffer.

De AVBB neemt anderzijds akte van de belofte van de voltallige regering-Di Rupo om snel werk te maken van een nieuw aanvullend pensioenregime voor beroepsjournalisten, dat binnen het kader van een financieel evenwicht minstens dezelfde waarborgen met zich mee zal brengen.

De AVBB zal constructief meewerken aan het overleg hierover dat moet leiden tot een nieuw, wettelijk bepaald pensioenregime voor beroepsjournalisten.

 

PRAKTISCH BEKEKEN

Het principe is duidelijk: het oude aanvullende journalistenpensioen verdwijnt vanaf 1 januari 2012.

Maar in de praktijk loopt het zo’n vaart niet. Er zijn wel degelijk enkele belangrijke overgangsbepalingen.

 

  • Voor 55-plussers (= wie op 31.12.2011 55 jaar is of ouder) verandert er hoegenaamd niets. Wanneer zij straks met pensioen gaan, behouden ze alle verworven rechten en wordt hun pensioen integraal volgens het oude systeem berekend. Dat betekent dus een pensioensupplement van 33% bij een volledige beroepsloopbaan van 45 jaar als beroepsjournalist.
  • Voor min-55-plussers (= wie op 31.12.2011 geen 55 jaar is) gelden ook nog altijd verworven rechten. Hun pensioen wordt aangevuld met een supplement dat pro rata berekend zal zijn op het aantal jaren dat ze als loontrekkende beroepsjournalist hebben gewerkt, en dit volgens het oude systeem.
  • Voor diezelfde min-55-plussers komt er daarbovenop een nieuw regime van aanvullend pensioen, dat volgens de belofte van de voltallige regering-Di Rupo snel zal worden uitgebouwd op basis van actueel cijfermateriaal van de RVP en na overleg met de AVBB en de mediahuizen. De enige finaliteit van de regering is dat het nieuwe regime duurzaam zelffinancierend is. Binnen die finaliteit zullen alle beroepsjournalisten aanspraak kunnen maken op gelijkaardige rechten als in het afgeschafte systeem. De werkgevers hebben er overigens geen baat bij om te dralen met het uitwerken van het nieuwe pensioenregime voor beroepsjournalisten, want volgens het engagement van de voltallige regering zal de volledige overgangsperiode tussen het oude en het nieuwe systeem worden gedekt door retroactieve of desnoods meervoudige financieringsbijdragen.

 

Pol Deltour

(foto: Bert Van Den Broucke/Photo News)