Freelance werk is niet ‘for free’

De actie, die in 2007 voor het eerst is opgezet, is een initiatief van de Europese Federatie van Journalisten (EFJ), die elk jaar op 5 november publieke aandacht wil vragen voor het belang van goede autonome journalistiek. Dit jaar is als thema gekozen voor de precaire situatie van de freelancejournalisten, met als leuze Freelance work does not mean ‘for free’.

In aanwezigheid van de nieuwe secretaris-generaal van de Internationale Federatie van Journalisten (IFJ) Beth Costa is – een dag vóór de eigenlijke actiedag, omdat 5 november nu op een zaterdag valt – in de Residence Palace in Brussel een informele ‘rondetafeldiscussie’ gehouden over de problemen waarmee zelfstandige journalisten worden geconfronteerd. Aan het gesprek namen ruim veertig freelancers deel, uit onder meer Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, België, Italië, Spanje, Duitsland, China, Irak en Marokko.

Beth Costa (IFJ) en Renate Schroeder (co-directrice van EFJ) wezen op de bijzonder kwetsbare positie waarin freelancers zich vandaag de dag bevinden. Het is vaak slikken of stikken voor veel mensen die in het métier willen overleven. Costa deed een oproep om gezamenlijk, via vakbonden en verenigingen, een vuist te maken en niet louter individueel het eigenbelang te verdedigen.

Maar de mogelijkheden om wettelijk op te treden voor betere honoraria zijn beperkt, merkte Ivan Declercq (adviseur Vlaamse Vereniging van Journalisten) op. Economisch gezien werken we hier in een vrijemarkteconomie, waar de wet van vraag en aanbod geldt. En door de jaarlijks aangroeiende stroom van nieuwe journalisten wordt de spoeling stilaan dun. De VVJ waarschuwt daar dan ook telkens voor tijdens gastcolleges aan journalistenopleidingen. Voorts is de vereniging begonnen aan een ‘name and shame’-actie: uitgevers die het te gortig maken, worden met naam en toenaam genoemd in het vakblad van journalisten.

Martine Simonis (nationaal secretaris van AJP, de Franstalige afdeling van de Belgische journalistenvereniging) gaf een uitvoerig overzicht van wat je als vereniging kunt doen, maar besloot haar uiteenzetting met de melding dat alles staat of valt met de onderlinge solidariteit onder journalisten. En die blijkt in de praktijk nogal eens tegen te vallen.

Justin Stares, voorzitter van de Brusselse afdeling van de Britse National Union of Journalists (NUJ), vond dat we niet het handje moeten ophouden bij de EU. Het heeft evenmin zin om bij de mediahuizen aan te kloppen voor meer geld, want dat hebben die vaak zelf niet eens, voerde hij aan.
De man, wiens vader ook al een freelancejournalist was, vond dat de hedendaagse journalist zelf op zoek moet gaan naar nieuwe wegen om geld te verdienen, via internet, blogs, en dergelijke meer. Want van de print moet je het niet meer hebben, zei hij. Daarbij gaf hij het voorbeeld van zijn vader die in de jaren ’70 nog tot 10.000 pond kreeg voor een openingsverhaal op de voorpagina van zijn krant, terwijl daar nu nog hooguit 50 à 150 pond voor wordt betaald.

Allemaal goed en wel, dat bloggen, vond een jonge Belgische freelancer, als je in de States woont of misschien ook nog in Groot-Brittannië. Maar ben je een kleine Belg, Luxemburger of Zwitser, dan zijn je kansen om met een blog een goed belegde boterham te verdienen vrijwel nihil.

Het was even stil toen Katharina Dockhorn, een freelancejournaliste uit Berlijn, meedeelde dat zelfs in Duitsland een aanzienlijk deel van de freelancers niet eens duizend euro omzet haalt per maand.

Een Italiaanse deelnemer pleitte ervoor dat de journalistenverenigingen hun leden zouden leren hoe ze zichzelf kunnen helpen in deze moeilijke en snel evoluerende markt. Simonis en Declercq wezen op de mogelijkheid om via fondsen, zoals het Fonds Pascal Decroos en Le fonds pour le Journalisme, de budgettaire ruimte te creëren voor ernstig journalistiek werk. Een Belgische freelancer gaf daarvan voorbeelden uit zijn eigen praktijk.

Een andere Belgische deelnemer had een veeleer ludieke kijk op de zaken: niet zonder enig cynisme gaf hij aan dat hij zijn opdrachtgevers had voorgesteld zijn artikels te laten sponsoren – “dit interview is opgenomen met Sony-apparatuur”, “in het aangename kader van het Metropole-hotel”, “na een prettige vlucht van drie uur met Lufthansa” – maar dat ze daar uiteindelijk toch niet echt voor te vinden waren.

Een jonge Belgische freelancer vroeg zich af waar zijn artikels naartoe gaan nadat ze een eerste keer zijn gepubliceerd. Hij ziet zijn werk geregeld her en der opduiken in blogs en andere zaken op het internet.

Dat gaf Pamela Morinière – bij de EFJ/IFJ bevoegd voor alles wat met auteursrechten te maken heeft – de gelegenheid dat aspect van het freelancen nader toe te lichten. Op dat vlak blijkt er juridisch gezien nog een berg werk te verzetten.

Tot slot ging Marc Gruber, co-directeur van de EFJ, nog even in op de problematiek van de talrijke opleidingen in de journalistiek en de verwachtingen van pas afgestudeerden.
Er heerst een crisis in de media – niet louter daar overigens – maar toch trekt het beroep van journalist steeds meer jongeren aan. Hoewel: veel van die jongeren kiezen voor “iets in de communicatie” en zijn zich bij aanvang onvoldoende bewust van de verschillen tussen een journalist, een public relations officer, een lobbyist en een copywriter in een reclamebureau, aldus Gruber. Ze willen hoe dan ook in de communicatiesector werken en zijn daarvoor tot veel bereid, zo blijkt. Als het moet, willen ze zelfs voor een appel en een ei aan de slag gaan. En dat verziekt uiteraard de journalistieke markt. (I.D., foto Christophe Licoppe/Photo News)