You are here

Strenge repressie van lekken zit niet goed

Op 26 april kende Reporters sans Frontières België een mooie negende plaats toe op de wereldranglijst van de persvrijheid. Net die dag voerde justitie opnieuw een reeks huiszoekingen uit bij BBI-ambtenaren die informatie naar de pers zouden hebben gelekt. Een analyse.

 

 

 

Bij de BBI (Bijzondere Belastinginspectie) stond de wereld de voorbije dagen even op zijn kop. In plaats van zelf op huiszoeking te trekken, kreeg een rist speurders onaangekondigd bezoek van federale politieagenten, op kantoor en thuis. Documenten en computerbestanden werden meegenomen. Wat alles extra pigment gaf, was dat de eigen grote BBI-baas, administrateur-generaal Frank Philipsen, aan de oorsprong lag van de zoekacties. Philipsen had intussen al vier keer klacht ingediend voor aanhoudende perslekken vanuit zijn korps. Door daar nu ook een burgerlijke partijstelling namens de BBI aan vast te koppelen, had hij de Brusselse onderzoeksrechter Patrick Gaudius formeel verplicht tot actie tegen mogelijke boosdoeners.

 

Niet zo lang geleden deed zich iets gelijkaardigs voor in Gent. De deontologische commissie van het stadsbestuur boog zich op zeker ogenblik over een tuchtzaak tegen een schepen. Dat gebeurde achter gesloten deuren, maar haalde wegens de politieke relevantie van de zaak toch een paar kranten. De burgemeester van Gent boos, met een klacht bij het plaatselijke parket en een gerechtelijk onderzoek tot gevolg. Dit keer vooral in de vorm van telefoonregistraties bij de politici uit de Gentse deontologische commissie.

 

Maar recent is het verschijnsel daarom niet. Toen eind vorige eeuw de Agusta-zaak en andere corruptieaffaires uitbraken, werd over de lopende onderzoeken veelvuldig door alle media bericht. Dat tot groot ongenoegen van de toenmalige Luikse procureur-generaal Anne Thilly, die met de historische uitspraak C’est fini! de strijd aanbond tegen de vloed aan informatielekken naar de pers. Zelfs bij haar eigen collega-magistraten werden toen huiszoekingen verricht.

 

 

Overdruk

 

Informatielekken naar de pers hebben bij velen een kwalijk imago. Juridisch wordt het fenomeen overigens als ‘schending van het beroepsgeheim’ gekwalificeerd. Of in het geval van lekken over lopende gerechtelijke of fiscale onderzoeken: ‘schending van het onderzoeksgeheim’. Ook Justitieminster Koen Geens (CD&V) hecht veel belang aan het beroeps- en onderzoeksgeheim. In die mate zelfs dat hij momenteel aan een forse verzwaring van de straffen werkt voor iedereen die nog informatie lekt.

 

Toch wordt daarmee oneer gedaan aan veel – heel veel – mensen die er ondanks het formele verbod toch voor kiezen om informatie te delen met een journalist. Zoals in de fysica wijst een lek doorgaans op overdruk: belangrijke informatie wordt niet officieel gecommuniceerd, een strafonderzoek zit vast, een fiscaal dossier wordt geblokkeerd… Neem nu de berichtgeving over Fiscus leaks in De Tijd van eind vorig jaar, die zo te zien mee de toorn van BBI-baas Philipsen wekte en aanleiding was tot het brede lekkenonderzoek van de voorbije dagen. Volgens die berichtgeving stonden ruim 300 grote bedrijven, instellingen en particulieren nog met belangrijke schulden in het krijt bij de BBI voor 2014. Daarbij ook enkele opvallende namen. Relevante info toch, te meer omdat De Tijd ook reacties publiceerde van diverse door de BBI geviseerde bedrijven.

 

 

In het algemeen valt het trouwens met de journalistieke benadering van informatielekken best wel mee. Journalisten gaan wel degelijk heel selectief en kritisch om met informatie die hen off the record wordt toegespeeld. Informatie die niet voldoende maatschappelijk relevant is – maar bijvoorbeeld enkel tot een persoonlijke afrekening terug te voeren is – passeert de filter niet. Aan een bron wordt bovendien slechts anonimiteit toegezegd wanneer daar een reden voor is: de mogelijkheid van represailles, schrik voor ontslag en dies meer. Tot slot: zeker informatie die in de berichtgeving niet expliciet aan een bron kan worden toegeschreven, moet en zal worden geverifieerd.

 

 

Bronnengeheim

 

Al bij al zou het erg jammer zijn dat de repressie ten aanzien van lekken en de informanten erachter verder wordt opgevoerd. In de eerste plaats voor al die (potentiële) bronnen zelf, die niet langer met informatie naar een journalist zullen willen (durven) stappen. Natuurlijk ook voor de journalisten, die van nature voor een goed deel werken met anonieme bronnen en vertrouwelijke informatie. Maar vooral toch voor het publiek, dat op die manier van een massa – vaak heel maatschappelijk relevante – informatie zou verstoken blijven. Kan men het zich voorstellen dat enkel nog informatie uit officiële bron de kranten en omroepen haalt? Dat alleen woordvoerders en persconferenties nog bepalen wat in het nieuws komt?

 

 

Een geluk dat België over een uitstekende wet beschikt op het journalistieke bronnengeheim. In lijn met de deontologische plicht van de journalist om zijn vertrouwelijke bronnen te beschermen, geeft die wet de journalist ook het formele recht om dat te doen ten overstaan van politie, justitie en inlichtingendiensten. Justitieminister Geens verklaarde intussen al enkele keren dat zijn beoogde strengere aanpak van lekken niet betekent dat hij aan dat journalistieke bronnengeheim wil raken. Dat is goed, en we houden de minister aan zijn belofte. Maar of het voor een vrije, democratische informatiestroom voldoende is, durven we te betwijfelen. Daarvoor is ook vereist dat informanten en klokkenluiders af en toe wat druk kunnen aflaten zonder meteen gerechtelijk of tuchtrechtelijk te worden aangepakt. En zo valt het nog te bezien of België straks zijn huidige mooie negende plaats in de RSF-wereldranglijst van de persvrijheid behoudt…

 

 

 

Pol Deltour