You are here

Afscheid van een dwarskijker

Afgelopen zaterdag is Willy Courteaux – vooral bekend als ‘Dwarskijker’ bij Humo – overleden. Courteaux, die ook het volledige werk van Shakespeare heeft vertaald, is 93 jaar geworden. Voormalig VRT-journalist Lukas De Vos blikt terug op het leven van de polemische woordkunstenaar.

Eén keer heb ik met Willy Courteaux samengewerkt, in 1986. Wannes van de Velde had op basis van Courteaux' Shakespearevertaling Richard III in het Antwerps bewerkt voor het Reizend Volkstheater. Ik was toen hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Restant en wou de tekst uitgeven. Dat kon, maar dan wel tegen betaling, sympathie of geen sympathie voor het blad. Achteraf had ik daar wel begrip voor. Copyright is gewoon een recht voor journalisten en vertalers.

 

Dat was Willy Courteaux ten voeten uit: inzet voor de zwakkeren. Hij was de eerste die in Humo (toen nog Humoradio, waar hij aan de slag ging in 1947) de lezer een forum gaf en met hem in debat ging. ‘De man in het venster’ praatte niemand naar de mond, en dat gaf vaak spanningen op de redactie. Maar hij is altijd zijn eigen koers blijven varen, wat de brievenschrijvers ook zelfbewuster heeft gemaakt.

 

Polemiek lag Courteaux, een ongezouten Aalstenaar die helemaal in de lijn van Louis Paul Boon dacht: wat burgerlijk, maar altijd in voor dwarsliggerij. Hij was van in de tweede helft van de jaren ‘50 Humo’s ‘Dwarskijker’, de ongenadige tv-criticus, die de programma’s nog scherper fileerde dan zijn voorgangers Jeroen Brouwers en Paul Snoek. Ook muziek voorzag hij van commentaar, onder het pseudoniem Max. Hij was overigens tot op hoge leeftijd samen met zijn vrouw Jeanne vaste klant bij De Munt.

 

Courteaux was voorts een soort ‘beroepsbetoger’, een Vlaamsgezinde republikein, lid van de Gravensteengroep, milieuactivist én stalinist. “Een misverstand, dat laatste”, zei hij, “ik heb alleen de propaganda tegen Stalin trachten te nuanceren.”

 

Schoonheid zocht hij in tijdloze oeuvres: van 1953 tot 1967 vertaalde hij alle stukken van Shakespeare (vier delen, herzien in 2007), daarna, met Bart Claes, alle stukken van Euripides. Een journalist met een groot hart voor cultuur, “rari nantes in gurgite vasto”, zou Vergilius hebben gezegd.

 

Achterdocht

Courteaux werd vooral gedreven door een gezonde dosis achterdocht. Duiding en propaganda waren zijn erfvijanden. Zo had hij geen goed oog in de ontwikkelingen in het Oostblok. Hij kreeg helaas gelijk, het consumptievirus hééft in Rusland geleid tot uitbuiting en chaos en Polen bewijst dagelijks dat het ‘een dwepersvolk’ is gebleven, op zoek naar revanche. De corruptie elders weet hij aan het feit dat er nooit een democratie was geweest in de nieuwe landen van de EU, tenzij dan op een blauwe maandag in het toenmalige Tsjechoslowakije. Daarom huldigde hij de houding van de Italiaanse communistische schrijver Gramsci: ‘het pessimisme van het intellect, het optimisme van de wil’.

 

Na zijn pensioen, in 1989, zette Courteaux zich in voor verwaarloosde lezersgroepen. Tweemaal per week las hij in Laken boeken in voor de Blindenbiblioteek, zes jaar werkte hij met analfabeten. Zijn lievelingsboek was dat van zijn vriend Ludo Abicht, Geschiedenis van de Joden in de Lage Landen.

Ook politiek bleef hij actief, in De Regenboog (een bont allegaartje van pacifisten, trotskisten, communisten en partijlozen), en als redacteur van het Vlaams Marxistisch Tijdschrift.

 

Met Courteaux verdwijnt een homo universalis, die nooit bang was voor opiniëring en ideologische polemiek, en ongevoelig was voor elke poging van geldschieters tot ingreep op het redactionele beleid. Klein maar dapper, met eeuwig witte haardos en baard.

En in Richard III lag zijn eigen testament vervat: “En als ik sterf, zal niemand mij beklagen. Waarom zouden ze, waar a'k toch zelf voor mezelf geen kompassie voel”.

 

Een onafhankelijke geest is heengegaan.