You are here

Het ABC van het aanvullend pensioen

Loontrekkende beroepsjournalisten (niet de freelancers) krijgen wanneer ze met pensioen gaan een meer dan aardig extraatje in de vorm van een aanvullend pensioenbedrag. Bij een volledige beroepsloopbaan in de journalistiek gaat het om 1/3 van het gewone pensioen dat erbij komt. Dat veronderstelt dan wel de werkgever tegemoet aan zijn wettelijke plicht om 3 procent extra sociale bijdrage te betalen aan de RSZ, waarvan 1 procent voor rekening komt van de journalist zelf.

Waar komt dat aanvullende journalistenpensioen eigenlijk vandaan?
Daarvoor moeten we terug naar de twee Wereldoorlogen die het land hebben geteisterd. De journalisten weigerden toen in groten getale mee te werken aan hun door de Duitse bezetter opgevorderde kranten, en gingen massaal in het verzet. Ter compensatie voor de verloren dienstjaren en als beloning voor hun moed stelde de Belgische regering een aanvullend pensioen in het vooruitzicht.

Met een Koninklijk Besluit van 21 juli 1972 werd de regeling (eindelijk…) een feit. Het gaat overigens om een wettelijk, dus verplicht pensioenstelsel, goed te onderscheiden van een privaat pensioenspaarplan. Noch de werkgever noch de werknemer kan er van af! Behalve loontrekkende beroepsjournalisten genieten alleen nog beroepspiloten zo’n aanvullend pensioen, overigens om dezelfde reden.

Wie betaalt?
Denk nu niet dat de Belgische Staat dat mooie pensioensupplement helemaal zelf betaalt. In 1972 is een systeem van autofinanciering opgezet, dat erop neerkomt dat de werkgever 2 procent extra sociale zekerheidsbijdrage op het brutoloon betaalt en de loontrekkende beroepsjournalist zelf 1 procent. Controleer op je maandelijkse loonfiche of die extra inhouding wel degelijk gebeurt !

Voor de journalisten die voor 1972 al aan de slag waren kon die bijkomende sociale heffing natuurlijk moeilijk nog gebeuren, en hun journalistenpensioen wordt dan ook met een overheidssubsidie gefinancierd. In dat verband ontvangt de VVJ van de Vlaamse Gemeenschap een jaarlijkse subsidie van (we ronden af) 55.000 euro die linea recta aan de Pensioentoren doorgestort wordt.

Waarop te letten?
Van zodra je én loontrekkende én erkend beroepsjournalist bent, moet je werkgever de extra RSZ-bijdrage betalen. Pols bij de personeelsdienst of alles in orde is, en ga op je loonfiche na of de bijkomende inhouding van 1 procent op je eigen brutoloon gebeurt. Let hier ook op wanneer je van werkgever verandert. Het aanvullend journalistenpensioen wordt (sinds 1972 toch) enkel toegekend voor de beroepsjaren dat de aanvullende RSZ-bijdrage werd betaald.

De Erkenningscommissie speelt nieuwe erkenningen in elk geval volautomatisch door aan de betrokken werkgever. De werkgevers ontvangen verder bij elke vijfjaarlijkse hernieuwing van de persdocumenten de geactualiseerde lijst van alle beroepsjournalisten in hun bedrijf.

Wat als de aanvullende bijdragen niét worden betaald?
Dan dringt een regularisering zich op, ook voor het verleden. Verwittig je werkgever, maar ook het VVJ-secretariaat (info@journalist. be). Dat bezorgt je een typebrief waarmee je de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP) kan aanschrijven. De Pensioentoren zal de werkgever aanmanen om de niet-betaalde sociale bijdragen alsnog te vereffenen. Belangrijk is vervolgens artikel 26 van de RSZ-wet van 27 juni 1969: dit verbiedt werkgevers om op hun werknemers de sociale zekerheidsbijdragen te verhalen waarvan ze de inhoudingen niet te gepasten tijde hebben gedaan.

En wat levert ons dat nu op?
Wie een volledige loopbaan als journalist achter de rug heeft (voor mannen 45 jaar, voor vrouwen op dit ogenblik 43 jaar) en tevens steeds het loonplafond voor de pensioenberekening haalde, krijgt een pensioensupplement van 33 procent van het gewone bediendenpensioen. Concreet: een ‘gewoon’ bediendenpensioen van (afgerond) 18.000 euro bruto per jaar komt voor gepensioneerde beroepsjournalisten neer op zowat 24.000 euro bruto. Voor de (hogere) gezinspensioenen ligt de verhouding op (weer afgerond) 22.700 tegenover 30.300 euro bruto per jaar. Wat daar netto van overblijft, hangt vanzelfsprekend af van factoren als andere inkomsten en kinderlast.

Niet iedereen haalt een volledige carrière als beroepsjournalist (of zat niet steeds aan het loonplafond), en dan wordt het aanvullende journalistenpensioen prorata verminderd.

Belangrijk: elk geval is verschillend. Om écht zicht te krijgen op je pensioenbedrag vraag je via je gemeentebestuur best een raming aan bij de RVP – iets wat mogelijk is vanaf 55 jaar. Let er dan ook op dat het journalistensupplement in de rekening betrokken wordt.

Wat bij ziekte, werkloosheid, brugpensioen?
Wie een deel van zijn loopbaan in het water ziet vallen door werkongeschiktheid, werkloosheid of brugpensioen, moet niet panikeren. Volgen die situaties onmiddellijk op een periode waarin men als loontrekkende beroepsjournalist aan het werk was, dan worden ze voor het journalistenpensioen gelijkgesteld met dienstjaren. En dit zonder dat de extra sociale zekerheidsbijdragen werden betaald.

En de administratieve mallemolen?
Dit blijft al bij al beperkt. Voor beroepsjournalisten die via de gemeente hun pensioen aanvragen, opent de RVP automatisch een dossier ‘beroepsjournalist’. In dat kader vraagt de RVP ook aan de VVJ/AVBB en de uitgeverskoepel VDP/BVDU om de carrière van betrokkene als loontrekkende beroepsjournalist te bevestigen.

Pol Deltour